RORSCHACHTEST Synopsis + Hoofdstuk I t.e.m. V

Terug naar het overzicht

Preview voor geintereeserden en/of

  uitgeverijen.

 

 INTRIGES WORDEN ACHTERHAALD

 

 

Synopsis

 

Robin Pas, een advocaat met psychische problemen, waaronder waanbeelden, vermoord bijna zijn zoontje. Hij wordt opgenomen in de psychiatrische kliniek van zijn vriend en psychiater dokter Bob Deleeuw waarbij hij al drie jaar in behandeling is. Voor zijn vrouw Annelies is de maat vol, ze vraagt echtscheiding aan. Robins wereld stort in en sinds zijn opname in de kliniek gebeuren er allerlei misdrijven; het stelen van opiaten tot twee moorden toe. De achterdocht is groot, zelfs onder de personeelsleden en patiënten. De verpleger Boldyboy gedraagt zich op zijn minst verdacht en in Robins bloed wordt heroïne gevonden. Beticht van diefstal en moord wordt hij nu opgesloten in de psychiatrische afdeling van de gevangenis. Hij kan naar eigen zeggen zich niets herinneren en ten einde raad vraagt Robin zijn vroegere mentor, meester Leon Deprez,  hem te verdedigen. Om de zaak uit te spitten roept Deprez de hulp in van inspecteur Maes. Eva Perdrix, de onderzoeksrechter die samenwerkt met Maes en Deprez ziet overeenkomsten met de oude zaak ‘Jung’ waarin een atypische psychopaat aan het werk was. Er werd toen zelfs een uitgebreid psychologisch onderzoek gehouden onder de leerlingen en de onderwijzers. De resultaten werden nooit bekend gemaakt en meester Deprez contacteert een gepensioneerde gerechtspsychiater om de moeizaam verkregen dossiers uit te pluizen. De zaak werd toen van hogerhand gesloten en ook ditmaal trekt iemand aan de touwtjes. Als Rachel, het eerste slachtoffer, uit haar coma komt, wordt ze vergiftigd. Eva Perdrix zoekt ex-gerechtsminister Borlez op om te vragen waarom de zaak toentertijd werd stilgelegd en kan een tip van de sluier oplichten. Dokter Deleeuw blijft Robin opzoeken om hem te steunen wanneer blijkt dat hij nog regelmatig psychoses doormaakt. Inspecteur Maes vermoedt echter dat Deleeuw een relatie heeft met Annelies, de vrouw van Robin Pas. Het onderzoek vordert traag. Deprez vraagt Dora, zijn goede vriendin uit de theaterwereld, zich te laten opnemen om te weten wat er in de kliniek gebeurt. Met behulp van Tina, een hulpvaardige verpleegster, trachten ze Robins dossier in te zien. Eva Perdrix, de onderzoeksrechter heeft eindelijk een spoor te pakken. Er vallen lijken uit de kast waarop Eva, Robin ontslaat uit de psychiatrisch afdeling gevangenis. Is Robin werkelijk onschuldig? Robin gaat zoekt dadelijk meester Deprez op. Tijdens zijn bezoek komt dokter Deleeuw binnen. De waarheid wordt onthuld, beide mannen gaan op de vuist als meester Deprez gevaar loopt. De moordenaar kan worden uitgeschakeld. Annelies smeekt Robin hun relatie nog een kans te geven.

 

 Flaptekst

Robin Pas, een advocaat met psychische problemen, waaronder waanbeelden, tracht zijn zoontje te vermoorden. Hij wordt opgenomen in de psychiatrische kliniek van zijn vriend en psychiater dokter Bob Deleeuw bij wie hij al drie jaar in behandeling is. Voor zijn vrouw Annelies is de maat vol, ze vraagt echtscheiding aan. Robins wereld stort in en sinds zijn opname gebeuren er allerlei misdrijven in de kliniek: het stelen van opiaten en er worden bovendien twee moorden gepleegd. Beticht van diefstal én moord wordt hij opgesloten in de psychiatrische afdeling van de gevangenis. Hij beweert zich niets te kunnen herinneren, ten einde raad vraagt Robin zijn vroegere mentor, meester Leon Deprez, om hem te verdedigen. Zal deze ex-advocaat de ware moordenaar ontmaskeren?

 

 

Dankwoord

 

Voor mijn liefste man Alex, die mij heeft gesteund in mijn donkerste dagen en de kracht kon opbrengen geduld te hebben met mijn overmoed.

Mijn bewondering voor Eddy Vereycken, mijn mentor, om me de facetten van het schrijven en de kracht van het woord te leren. Met grootste dank voor zijn geduld, advies en bezielde inzet.

 

Boeken geven geen wijsheid waar er geen wijsheid was, maar waar er wijsheid is, wordt deze door het lezen groter.

Elizabeth Hardwick Amerikaans schrijfster. Leefde van: 1916-2007.

 

 

 

VOORWOORD

 

Buiten psychopaten, zijn er geen gekken; enkel mensen die zichzelf tijdelijk verliezen of niet langer openstaan voor rede.

 

De psychiatrie bestaat al ettelijke jaren, maar de erkenning dat de patiënt ook een mens is, wordt pas de laatste tijd algemeen aanvaard, omdat spijtig genoeg ook steeds meer personen het monster ‘depressie’ of ‘burn-out’ hebben leren kennen. Eigenlijk is een psychische aandoening even eerlijk als de dood; het kent geen landgrenzen, geen kleur, geen rijk, arm, jong of oud en iedereen kan ermee geconfronteerd worden. De meest optimistische mensen zijn dikwijls de meest kwetsbare individuen. Bekendheid en roem eisen dan weer zelfdiscipline en relativeren.

En soms worden de mensen in je naaste omgeving je ergste vijand en is een luisterend oor meer waard dan een vat vol goede raad.

Er heerst nog te veel onbegrip voor mensen die psychische problemen ervaren; ze worden minachtend als gekken versleten of, wat nog erger is; als profiteurs.

Vanuit sociaal standpunt mag men ook niet de naasten uit de onmiddellijke omgeving verwaarlozen. Als er enkel zorg is voor de zieke, worden de huisgenoten buitengesloten en groeit de scheur, die er ontstaat uit onmacht en onbegrip, uit tot een kloof. Psychiatrische begeleiding is dus niet enkel nodig voor de patiënt.

Het is een ingewikkeld web met vele valstrikken voor allen die met de psychiatrie te maken krijgen.

En net zoals in elk web loert er een spin die geduldig wacht tot er een slachtoffer zich aandient of een eerdere prooi per ongeluk terug de webdraden beroert….

 

 

 

Alle overeenkomsten met de personages zijn louter toevallig. Het verhaal is volledig fictief en staat volledig los van de werkelijkheid. Ik wens tevens mijn bewondering mede te delen aan de psychiaters, psychologen en het verplegend personeel in psychiatrische ziekenhuizen. Voor hun geduld, empathie en niet aflatende inzet.

 

 

 

De groten zijn alleen maar groot omdat wij op onze knieën zitten.

PIERRE JOSEPH PROUDHON (1800 – 1865)

Frans filosoof

 

Het geheel is meer dan de som van de delen.

ARISTOTELES (384 – 322 v.C.)

Grieks filosoof.

 

 Wie zal ons bewaken tegen de bewakers?

DECIMUS JUNIUS JUVENALIS (ca. 60 -140)

Romeins hekeldichter

 

Pas op voor de man die niets te verliezen heeft.

JOHANN WOLFGANG VON GOETHE (1749 – 1832)

Duits dichter en toneelauteur

 

Pas op voor de woede van een geduldig man.

JOHN DRYDEN (1631 – 1700)

Engels dichter en toneelschrijver

 

 

Alleen door tegen de stroom in te zwemmen kom je bij de bron.

LAO-TSE (570 – 490 v.C.)

Chinees filosoof

 

Informatie is het wisselgeld van de democratie.

THOMAS JEFFERSON (1743 – 1826)

Amerikaans president

 

 

Het geheim van creativiteit ligt hem in het verbergen van je bronnen.

ALBERT EINSTEIN (1879 – 1955)

Duits-Amerikaans geleerde

 

 

Rorschachtest

HOOFDSTUK I

 

Robin Pas haalt het demi-chef mes uit de schuif. Hij laat zijn duim over het scherp van het lemmet glijden.

 ‘Aardappelen schillen… ik haat aardappelen schillen… ik kan beter aardappelen schillen voor Annelies, anders zeurt ze weer…’

Ongeduldig neemt hij de aardappelzak en trekt die brutaal naar zich toe.

Een doordringend gegil.

 ‘Kevin! Stop met dat gegil… een doodsbleke Annelies?... van waar komt dat gegil?’

Onthutst volgt hij haar starende blik. Niet begrijpend kijkt hij naar het voorwerp in zijn handen.

 ‘Een demi-chef mes om aardappelen te schillen? Waarom maakt ze zich daar druk over?

Robin trekt weer de zak aardappelen naar zich toe en ziet plots het gezichtje van zijn zoon dat hem met grote onschuldige ogen aankijkt.

Robin kijkt verwonderd naar de hand waarmee hij zijn zoontje vastklemt. Hij drukt het mes tegen het buikje van Kevin. Vol ongeloof staart hij van zijn ene hand naar de andere.

 ‘Weer dat gegil! Waarom gilt Kevin?’

Robin knijpt zijn ogen toe om het lawaai niet meer te horen.

 ‘Ik wil aardappelen schillen!!’, brult hij. ‘ Aardappelen schillen. Eerst die aardappelzak openen.’

Het mes komt in beweging.

Een doodsbleke Annelies blijft oorverdovend gillen. Sterke handen sleuren hem naar buiten. Er klinkt een hartverscheurend geluid. Af en toe vangt hij flarden op van een gesprek:

 ‘Psychiater… gesloten- afdeling… psychose.’

Op weg naar het hospitaal voelt Robin dat er iets koels in zijn aderen wordt gespoten en hij dommelt in op het tweetonige lied van de ambulance.

 ‘Te laat, te laat, te laat…

 

Robin wordt wakker door de beklemmende hitte in een septisch gereinigde kleine cel. Een televisiescherm hangt hoog aan de muur recht tegenover zijn éénpersoonsbed. Een wegkwijnende plant staat op de vensterbank.

Een briesje door het geopend kantelraam laat de groene overgordijnen rimpelen, met het zonnelicht tovert het golven op de kale muren.

 ‘Ik zit gevangen in een aquarium als een vis zonder vinnen,’ denkt Robin.

Hij richt zich op en zet aarzelend een voet op het linoleum. Als de andere voet volgt valt hij terug achterover op het bed. Robin gaat moeizaam op de rand van het bed zitten en vraagt zich af wanneer het tollen in zijn hoofd zal ophouden. In de scheuren van het linoleum ontdekt hij dezelfde figuur die afgebeeld staat op het schilderij in het kabinet van zijn psychiater en herinnert zich…

‘Noem me alsjeblieft geen dokter Deleeuw maar Bob, zei de psychiater bij hun eerste ontmoeting. Ik houd het liever gezellig want als psychiater leer ik je na een poos beter kennen dan de partner met wie je het bed deelt.’

Robin staarde toen naar zijn therapeut, zo veel jovialiteit had hij niet verwacht.

 ‘Robin voor de vrienden,’ antwoordde hij plompverloren.

Dokter Deleeuw gaf zijn nieuwe patiënt een stevige handdruk en reageerde geamuseerd:

 ‘Haha! Bob en Robin! Fijn dat ik je vriend mag zijn.’

Robin ging onzeker op de stoel zitten die de dokter hem aanwees. De psychiater begon aantekeningen te maken in een dossier. Het verdict: borderline. Annelies, de vrouw van Robin, had hem altijd bijgestaan in moeilijke periodes, maar zijn stemmingswisselingen kon ze niet meer aanvaarden. Ze had geen angst voor klappen of scheldkanonnades, nee, daar was hij te lief voor. Ze vreesde zich te moeten wegcijferen door voor hem en hun driejarig zoontje te moeten zorgen. Er was niet veel meer over van die ooit zo vrolijke Annelies. Robin zag haar angstgevoelens dagelijks toenemen. Tijdens intieme momenten was ze afwezig. Haar zin om te vrijen verminderde van dag tot dag.

 

 

Bij de psychiater bladerde Robin ongeïnteresseerd in tijdschriften, die verspreid lagen op een kleine tafel in de hoek van de wachtzaal. Hij keek op zijn horloge en zuchtte gefrustreerd. De vorige patiënt was al een kwartier over tijd.

 ‘Vermoedelijk Bea, het neurotisch kind van acht jaar.’

Zelfs door de muur heen was de stem van de moeder duidelijk herkenbaar aan de nasale klank waarmee ze onophoudelijk vragen stelde. Haar monoloog werd af en toe onderbroken door de zwaardere stem van de psychiater die met zijn vocale kracht de woordenstroom trachtte te laten ophouden.

Robert Deleeuw was al drie jaar zijn psychiater. Deleeuw was achtendertig jaar, groot, slank, met zwart haar en een grijze bles, blauwe ogen en dunne lippen. Knap en heel charismatisch - in het Frans de ‘je ne sais pas quoi’ factor. Buitengewoon intelligent en een onvermoeibare werker. Hij draagt een simpele jeansbroek en een Denim hemd, zonder franje. Met een kwinkslag won hij snel het vertrouwen van zijn patiënten. Leugens legde hij moeiteloos bloot en dikwijls werd hij door het parket gevraagd om het psychologisch profiel van misdadigers samen te stellen. Hij leek onkreukbaar kalm, trillende vingers van zijn linkerhand verraadden zijn innerlijke spanning. Hij trok vrouwen aan als een magneet, zijn echte maîtresse was zijn werk. Het verleden hield hij voor zichzelf en verborg zijn privéleven voor iedereen. Weinig mensen wisten dat hij uit een gegoede klasse kwam. Zijn vader was de eeuwige afwezige en hij had geleden onder de bemoeienissen van zijn veeleisende moeder. Na een harde confrontatie met beide ouders verbrak hij alle banden.

 

De deur van de consultatiekamer werd geopend, de vrouw en haar dochter werden vriendelijk buiten gewerkt door de psychiater. Bob drukte hem stevig de hand en zei hem:

 ‘Geef dat kind een andere moeder en ze is binnen de maand genezen.’

Robin grinnikte en ging gewoonte getrouw op de linker sofa zitten. in één In één  oogopslag taxeerde de psychiater zijn patiënt.

 ‘Hoe gaat het ermee, Robin?’

 ‘De nieuwe antidepressiva maken me tam… ik heb minder angst… en ik heb moeite om mijn gevoelens te uiten… het lijkt alsof ik buiten mijn lichaam sta.’

Er valt een ongemakkelijke stilte.

’Wat bedoel je juist met ‘buiten je lichaam staan’?’

Robin geeft geen antwoord en staart naar een zwart-wit  schilderij. Het stelt een naakte man met gebogen hoofd voor die zijn  gekruiste armen tussen zijn benen houdt. Hij schermt zich af van de wereld. Robin herkende in de figuur zijn eigen wanhoop. Tijdens zijn 3- jarige consultaties keek hij naar dat schilderij en kende elke penseelstreek.

 ‘Wat bedoel ik met ‘buiten mijn lichaam staan?’ dacht Robin, ‘Wat is het juiste antwoord? Wil ik de waarheid wel kennen?’

Robin wilde vooral goedkeuring van zijn psychiater. Verlossende woorden wilde hij horen die bewezen dat hij op de goede weg was.

 ‘Ik kan niet gefocust blijven… mijn gedachten gaan met mij op de loop… Annelies wordt boos omdat ik geen aandacht aan haar woorden schenk.’

 ‘Robin, ik maak me vooral zorgen over jouw geestelijke escapades. De medicijnen zijn niet de oorzaak. Ik heb eerder de indruk dat jij de realiteit wil ontvluchten om aan je problemen te ontsnappen. Zo raak je meer en meer verstrikt in je eigen droomwereld.’

 ‘Mijn leven met Annelies is een hel geworden!... Annelies spreekt steeds over ‘haar’ zoon… ik maak geen deel meer uit van zijn opvoeding… Voor haar ben ik niet langer de vader van ons kind… Ik ben een lastpost…’

 ‘Wees niet te hard voor jezelf. Doe je nog je relaxatieoefeningen?’

 ‘Elke keer wanneer ik de oefeningen doe, val ik in slaap.’

Deleeuw geeft Robin een voorschrift.

 ‘Neem deze medicatie ’s morgens bij het ontbijt. Het zal je allerter maken,

Robin. Ik zie je volgende week. Zelfde dag, zelfde uur.

 

 Hoofdstuk II

 

 

Robin neemt de bus. De bushalte ligt op driehonderd meter van de praktijk. Hij ziet drie bussen stoppen met hetzelfde beginnende cijfer, elk met een andere bestemming waarvan hij de eindhaltes niet kan lezen. Inpulsief neemt hij de dichtstbijzijnde bus en gaat versuft op de achterste bank tussen schoolghaande kinderen zitten. Hun gekrijs en gejoel snijden door zijn hoofd.Twee kilometer verderop beseft hij op de verkeerde bus te zitten. Bij de eerstvolgende halte wil hij afstappen, maar een aantal pestkoppen verhinderden hem opzettelijk de doorgang.Tussen rug- en schooltassen tracht Robin de uitgang te bereiken. Hij struikelt over een schooltas wanneer de bus bruusk aan de halte stopt. Vloekend staat hij recht. Een vrouw met kinderwagen verspert de uitgang. Hij trekt de kinderwagen ruw opzij.

 ‘Een beetje begrip en geduld alstublieft!’ roept de vrouw verontwaardigd.

 ‘Ik wil uitstappen!’

De vrouw kijkt hem vernietigend aan.

Tot zijn wanhoop rijdt de bus weer een halte verder.

 ‘Chauffeur… chauffeur, ik zit op de verkeerde bus!’

De busbestuurder kijkt over zijn schouder.

 ‘U zult moeten wachten tot de volgende halte mijnheer!’ Hij laat de bus bruusk zwenken en stopt met piepende remmen. Als een drenkeling klampt Robin zich overal aan vast en wringt zich door de openstaande deuren die net dichtklappen. Hij valt pijnlijk op het voetpad. Besluiteloos blijft hij met uitgespreidde armen op de grond liggen.

 ‘Ik zou kunnen blijven liggen… doodgaan... als Jesus gekruisigd aan het voetpad… een kruis van steen.’

 Moeizaam krabbelt hij recht met behulp van een passant.

 ’Gaat het?’ zegt de man.

‘Red Jesus!’

Robin duwt de verbijsterde man opzij en wankelt naar de apotheker.

‘Dag Robin…’

‘Wacht… ik heb het voorschrift… hier… het moet hier ergens zitten.’

Een andere klant komt binnen. Robin zoekt zenuwachtig verder in zijn jaszakken. Robin maakt ze leeg en legt zijn gsm, portefeuille, sleutels, kleingeld en een verfrommeld papieren serviette op de toog. Apatisch staart hij naar zijn spullen.

 ‘Robin? Robin… Robin?’

De apotheker wijst hem het voorschrift aan dat met een punt uit de portefeuille steekt. Robin klapt zijn portefeuille open, hij overhandigd het voorschrift aan de apotheker. Hij betaalt en gaat als een slaapwandelaar buiten.

 

Als hij thuis komt zet Robin het nieuwe medicijn bij zijn andere pillen, in het uitpuilende apothekerkastje en gaat versuft naar de woonkamer.

In de gang klinkt vrolijk gejoel. Annelies is met Kevin naar de speeltuin geweest en zijn zoontje komt stralend met een waterval van woorden aangelopen. Robin neemt zijn zoontje stevig vast en duwt zijn neus tegen de hals van het kind. De kleuter giechelt en rukt zich los.

‘Ik heb een ijsje gekregen van mama! Met twintig bollen!’

Lachend kijkt Robin naar Annelies.

 ‘Het waren twee bollen,’ zegt ze smalend.

Robin kijkt zijn zoontje met grote ogen aan en prikt met zijn wijsvinger speels in zijn buikje.

 ‘Heb jij dat allemaal kunnen opeten? Vanille en aardbei?’

 ‘Aardbei en choco.’

 ‘Amaai zo lekker.’

Robin veegt wat choco uit de mondhoek van zijn glunderend zoontje.

Annelies geeft Robin geïriteerd een tissue.

 ‘Ik kreeg niet de kans om zijn mond af te vegen,’

Robin neemt zijn zoontje speels vast en begint hem te knuffelen. Plots ziet hij de ernstige blik van zijn vrouw waarop hij Kevin onzeker los laat.

 ‘Ik heb nieuwe medicijnen gekregen,’ zegt hij zonder haar aan te kijken.  ‘Wanneer hebben die pillen hun uitwerking?’

 ‘Dat vertelde Bob er niet bij.’

 ‘Ik vermoed dat ze pas na een week beginnen te werken.’

 ‘De bedoeling is dat ik er minder sloom van word. Met de nodige oefeningen kan ik mij concentreren…  zonder erbij in slaap te vallen.

Annelies kijkt hem lang in de ogen en draait zich resoluut om. Ze draagt Kevin op haar arm mee naar de keuken. Robin gaat verloren op de sofa liggen om zijn ademhalingsoefeningen te doen en… valt in slaap.

 

… Het demi-chef mes, Annelies gilt… de grote ogen van Kevin… ambulanciers...

Badend in het zweet wordt Robin wakker in zijn cel. Hij moet dringend naar het toilet. Na het urineren, wil hij zijn handen wassen, maar vindt geen zeep of handdoek. Ontstemd door het gebrek aan wasgerief wil Robin zich bij iemand beklagen en rammelt kwaad met de deurklink.

 ‘Geduld Robin! Er komt dadelijk iemand met wasgerief en zal u begeleiden  naar de douche.’

Mokkend gaat Robin op het bed zitten.

 ‘Onder begeleiding een douche nemen?

De deur wordt ontgrendeld door een grote struise kaalhoofdige man met walrussnor en een rond brilletje op zijn neus. Robin lacht.

 ‘Wat valt er te lachen?’ vraagt de kaalhoofdige nors.

 ‘Toen ik hoorde van ‘een douche onder begeleiding,’ verwachtte ik een Oosterse schone.’

De man gooit een plastic zak gevuld met toiletgerief naar Robin.

 ‘Je zult het met mij moeten doen, mijnheer de grapjas. Kom, volg mij nu maar.’

Robin volgt de verpleger door een labyrint van gangen met kindertekeningen en zwart-wit foto’s aan de gifgroene muren.  Hier en daar staan plastieken planten voor de gifgroene muren. Verveeld wijst de kale man douchecellen zonder deuren aan.

 ‘Je krijgt tien minuten om je te wassen en weer aan te kleden. In de kleerkast van je kamer zal je een elektrisch scheerapparaat vinden. Iets dat kan verwonden wordt niet toegelaten. Daarna kom ik je halen, al dan niet gewassen of aangekleed en… geen grapjes. Ik wacht achter de hoek.’  ‘Bedankt schoonheid,’ reageert Robin giftig en loopt rakelings langs de verpleger. Robin geniet van het simpele ritueel zich te wassen.

 ‘Je hebt nog twee minuten,’ galmt het aan de andere kant van de muur.

 ‘Man, de shampoo zit nog in mijn oren!’ roept Robin geërgerd.

 ‘Nog één minuut,’ klinkt het ongenadig.

Robin draait de kraan dicht en slaat de handdoek rond zijn middel. De vuile kleding laat hij achter op de vloer en stapt met kletsnatte voeten naar de verpleger.

 ‘Zet de chronometer maar af,’ zegt Robin.

De verpleger kijkt om de hoek en wijst naar de natte voetafdrukken.

 ‘Droog je voeten af. De volgende keer zorg je er voor op tijd klaar te zijn.

Er staan wasmanden voor het vuil goed. Gebruik ze.’

Hij overhandigt Robin slippers en een badjas van het ziekenhuis.

 ‘Op blote voeten rondlopen is niet hygiënisch en doe de badjas aan. We willen géén hysterische toestanden.’

Na het douchen, sluit de kaalkop Robin terug op in zijn kamer zonder een woord te zeggen. Robin ergert zich aan de boertigheid van de verpleger en klopt met zijn vuist tegen een muur van zijn cel.

 ‘Om zijn zenuwen te bedwingen neemt hij het scheerapparaat uit de kast. Hoezeer hij de radertjes over zijn ontluikende baard laat cirkelen, de stoppels blijven staan. Kwaad gooit hij het scheerapparaat op de grond.

 ‘Prullen!’ roept hij nijdig.

Plastic splinters verspreiden over de hele kamer.

Net op dat ogenblik wordt de deur geopend. Bob en Annelies verschijnen in het deurgat. Hun dure parfums werken op zijn zenuwen. Schoenzolen pletten de stukjes plastic. Robin nadert Annelies, die een stap achteruit zet en op het bed gaat zitten. Als hij haar hand wil vastnemen trekt ze die vlug weg. Verslagen kijkt Robin naar Bob.

 ‘Robin, je bent vijf dagen van de wereld geweest,’ Je had een psychose. Je werd gewelddadig. We hebben je verscheidene keren moeten kalmeren en buiten jezelf wilde je Kevin vermoorden.’

Bob wacht op antwoord.

 ‘Ik vermoed dat je het niet meer kan herinneren …

 ‘Natuurlijk herinner ik het me!’ Bob... Waarom zou ik Kevin willen vermoorden? Jij bent psychiater… waarom zou ik dan mijn zoontje iets aandoen?

Bob antwoordt kalm:

 ‘Je was jezelf niet op dat moment. Schizofrenie kan je zo ver brengen en…’

Robin bedekt met zijn handen zijn oren en blijft ‘nee’ schudden.

 ‘Robin, dit… kan ik niet meer aan… ik heb de scheiding aangevraagd…’

Robin buigt zich plots naar Annelies en staat neus aan neus met haar. Bob wil hen scheiden maar Robin duwt hem brutaal weg.

 ‘Annelies! Ik heb mezelf weggecijferd voor jou en Kevin. Is al die moeite voor niets geweest? Kijk. Kijk naar mij!’ Speeksel vloeit uit zijn mondhoeken.

 ‘Je wilde Kevin vermoorden! Ik vertrouw je niet meer. Kevin loopt gevaar in jouw aanwezigheid.’

Annelies verlaat verongelijkt zijn kamer.

Bob en Robin blijven sprakeloos achter.

 ‘Ik ben niet gek. Zo ben ik niet…’

 ‘Robin, ik zal met haar gaan praten. Uit deze gesloten afdeling mag ik je niet ontslaan, je bent een gevaar voor jezelf geworden. Volg de therapieën en neem je medicijnen nauwgezet. Later breng ik jou naar de open afdeling.

Morgen kom ik je terug bezoeken. Tracht nu wat te slapen, Robin.’

De aftershave van Bob blijft in de cel hangen.

Robin gaat op het bed liggen en denkt voor hij in slaap valt:

 ‘Laat dit een nachtmerrie zijn.'

 

Hoofdstuk III

 

 Rachel hield van de nachtdienst. De cijfers van de wandklok, die tegenover de balie hing, duidden 00:02 aan. Ze begon de voorraad pijnstillers op basis van paracetamol na te zien. Ze vloekte omdat haar collega de schuif niet had aangevuld. Rachel nam de sleutel om de deur van de apotheekkamer te openen. Ze zag licht vanonder de deur komen.

 ‘Weer vergeten werk,’ dacht ze.

Plots hoorde ze een knarsend geluid in de kamer. Verwonderd bleef ze aan de deur luisteren. Het geluid hield op, niemand kwam naar buiten.

Aarzelend opende ze de deur en zag door een kier dat de glazen schuifdeurtjes van de speciale medicijnenkast open stonden.

 ‘Het knarsen kwam daar vandaan.’

In één oogopslag zag ze welk medicijn er was ontvreemd.

Voorzichtig ging ze de kamer binnen. Ze hoorde achter een verplaatsbaar ziekenhuisscherm iemand ademen. Nieuwsgierig duwde ze het scherm opzij. Verrast keek ze in de ogen van een man die naar haar glimlachte Onverwacht sloeg hij met een krukje op haar hoofd. Rachel kon hem niet ontwijken. Waanzinnig bleef hij op haar inbeuken tot het bloed tegen de muren spatte.

Onbewogen keek de dader naar haar bebloede hoofd. Zonder haast verborg hij de medicijnen in een zak vuil goed. Hij inspecteerde of er geen bloedvlekken op zijn kleding zaten.

 ‘Niets.’

Hij schakelde het licht uit, sloot de deur en verliet de apotheekkamer.

 

De volgende ochtend wordt Robin wakker met een claustrofobisch gevoel en vlucht uit zijn cel. Tijdens het ontbijt merkt hij de spanning tussen het personeel. Patiënten praten opgewonden door elkaar. Zodra ze Robin zien houden ze op met praten. Onwennig groet hij de andere patiënten en gaat aan een lege tafel zitten. Tina, een vriendelijke verpleegster legt hem de huisregels uit. Ze brengt hem meteen het ontbijt. De vorige avond had hij niet gegeten. Hongerig propt hij de boterhammen in zijn mond.

Sinds zijn binnenkomst is iemand naar hem blijven staren. Hij houdt op met kauwen.

 ‘Smaakt het?’

 ‘Hmmm.

 ‘Dit is de eerste keer dat ik je zie eten.’

 ‘Ik ben Brigitta.’ 

 ‘Ik heet Robin.’

De graatmagere vrouw van ongeveer veertig jaar oud heeft lang sluik haar en ogen die te groot lijken voor haar gezicht. Haar gebaren zijn traag, weloverwogen.

 ‘Ik was aanwezig toen ‘Boldyboy’ je binnengebracht naar de gesloten afdeling.’

 ‘Boldyboy? vraagt hij nieuwsgierig.

 ‘Je hebt vandaag met hem kennis gemaakt, zag ik. Groot, kaal, rond brilletje en een walrussnor.’

 ‘Ha! ‘De verpleger die mij controleert.’

 ‘Robin? Mag ik vragen waarom je hier bent?

 ‘Dat is een oervervelend verhaal.

 ‘Nieuwsgierig staart ze hem aan en speelt ondertussen afwezig met een plastiek mes.

 ‘Iedereen die hier belandt, heeft een verhaal. Dus Robin, als je iets kwijt wil…’

Haar onbeschoftheid stoort hem.

 ‘Gaan we dan even uithuilen om te eindigen met een knuffel?’

Krampachtig sluit ze haar hand rond het mes.

 ‘Ik zie je nog wel.’ antwoordt ze bits, staat recht en verlaat de kamer.

Een ongemakkelijk gevoel overvalt hem. Voor Robin over zijn blunder kan nadenken komt Tina hem halen voor een gesprek met zijn psychiater.

Vol voorgevoelens aarzelt Robin om de spreekkamer binnen te gaan waar Bob op hem wacht.

 ‘Ga zitten Robin,’ zegt Bob ernstig. Robin antwoordt futloos.

 ‘Dag Bob. Heb je al met Annelies gepraat?

 ‘Wat ik je ga vertellen gaat hard aankomen... Annelies heeft de scheiding al in gang gezet en meteen een verbod om je zoon te zien, aangevraagd… Ze wil je niet meer zien. Voorlopig ga ik er op toezien dat het je aan niets ontbreekt.’

Er valt een doodse stilte.

Robin staart naar een punt op de vloer en beeldt zich in een gat te branden tot in het binnenste van de aarde.

Hij hoort de stem van Bob in de verte. Onverstaanbare woorden. Vruchteloos tracht hij te praten. Smekend steekt hij zijn handen uit naar Bob. Bob neemt uit zijn bureaulade een injectiespuit en een ampul.

 ‘Nee!’ 

In paniek springt Robin recht en ontwijkt de spuit van de psychiater. Met kracht schopt Robin zijn stoel naar Bob die verrast achteruit valt tegen zijn bureau. De psychiater drukt op een knop die verbonden is met de bewakingsafdeling. Boldyboy stormt de kamer binnen en ramt een verdovingsspuit in de nek van Robin. Voor hem wereld verschrompelt de wereld tot een lichtpuntje dat uitdooft.

 

Vele uren later zit Robin wezenloos in een zaal van het ziekenhuis.

Iemand legt een hand op zijn arm. Het is Brigitta. Ze gaat met trage bewegingen in een stoel tegenover hem zitten. Op lijzige toon praat ze met hem:

 ‘Robin, ik oordeel of veroordeel je niet. En als je uw geheimen wil vertellen, ik voel met je mee.’

Hij reageert niet. Brigitta, wil weggaan. Robin neemt haar hand en fluistert:

 ‘Blijf alsjeblieft.’

Aarzelend blijft ze staan en luistert ongeïnteresseerd naar hem.

 ‘Mijn opa… die zorgde altijd voor mij… Ma en pa waren er nooit… maar mijn opa… Na zijn dood… boterhammen met choco…ja… dat wilde ik nog eten…boterhammen met choco. En daarna… altijd alleen. Tot mijn 8 jaar… Ik was jaloers… jaloers tegen het muurtje… te zien… de andere kinderen speelden… Maar Nancy… die, die… kwam naar mij. Zo’n mooie ogen… Samen… we waren altijd samen. In het school… en later… veel later… we bleven elkaar graag zien… tot ik een foto zag… een foto met een andere man… ja, ze was zo mooi… Daarna… ik begon te drinken… rookte joints… en spelletjes spelen… heel de dag computerspelletjes. Toch… toch haalde ik mijn diploma… ik had het beloofd… beloofd aan mijn opa. Mijn opa…

Annelies… zij had ook haar diploma… we gingen samen vieren en daarna… trouwen en Kevin… mijn zoontje Kevin. Huilde en huilde… dag en nacht. Nu niet meer. Mijn zoontje. Kevin… ik mag mijn zoontje niet zien.

Robin zucht. Een diepe wanhopige zucht.

Boldyboy komt het lokaal binnen. Robin kijkt opzij maar Brigitta was in het midden van zijn verhaal weggelopen.

 ‘Robin. Je mag naar een andere afdeling. Dokter Deleeuw heeft besloten dat je er op vooruit bent gegaan. ‘

 

De glazen deuren van de nieuwe afdeling openen met een zacht sissend geluid. Onzeker stapt Robin mee aan de zijde van Boldyboy naar de open afdeling.

Robins tas ligt op het bed dat netjes werd opgemaakt.

 ‘Wat een luxueuze kamer…’

 ‘Dokter Deleeuw heeft dit geregeld. Ik voer enkel orders uit. Morgen om half acht moet je aanwezig zijn in de vergaderzaal, dan krijg je de dagindeling. Ontbijt is om 7 uur. Geen room service meer.’

Boldyboy verlaat de kamer en trekt de deur hard toe. Robin schrikt van de klap. Tina brengt zijn avondmaal.

Ze begroet hem vriendelijk en zet het plateau op een tafeltje.

 ‘Tina, wat ben ik blij jou te zien.’ 

Hij begint te eten.

 ‘Smakelijk, morgenavond sta ik in de nachtploeg.’

Tina knipoogt naar hem en verlaat de kamer.

 

Hoofdstuk IV

 

 ‘Goede morgen.

Robin kijkt de jonge verpleger met doffe ogen aan.

 ‘Je bedoelt goede avond. Mijn ogen zijn net dichtgevallen.’

 ‘Het spijt me, mijnheer dat u niet kon kunnen slapen. U houdt zich beter aan de regels. Het is nu 7 uur. En om half 8 moet u deelnemen aan het groepsgesprek.’

Robin zucht. Moeizaam komt hij uit zijn bed. Hij slentert tot aan de balie, waar alle patiënten hun medicijnen krijgen. Robin ontvangt een kartonnen bekertje, hij wil het meenemen naar de kantine, maar een verpleegster houdt hem tegen.

 ‘Hola. Nieuw zeker?’

 ‘Wablieft?’ vraagt hij suf.

 ‘Je moet het dadelijk innemen!’

Ze wijst naar kartonnen bekers en flessen water die ter beschikking staan van de patiënten. Gehoorzaam vult hij het bekertje. Hij slikt de pillen tegen angst, depressie en hoge bloeddruk in één keer door en opent zijn mond om te bewijzen dat hij ze ingenomen heeft.

 ‘Brave jongen.’

Robin gaat verder naar de kantine en neemt plaats op de hoek van een lange tafel. Zijn disgenoten kijken nieuwsgierig naar de nieuwkomer die lusteloos eet. Om 7u 30 begint het groepsgesprek in de vergaderzaal. Het verplegend personeel en patiënten nemer er aan deel. De gesprekken verstommen wanneer een grote vrouw met indrukwekkende boezem verschijnt.

 ‘Zijn er problemen te melden?’ vraagt ze met melodieuze stem.

Ze kijkt iedereen in de ogen. Iedereen zwijgt. Plots kijkt ze naar hem.

 ‘Robin, welkom. Mijn naam is Lia en ik ben het afdelingshoofd voor de ‘Paaz (psychiatrische afdeling Antwerpse ziekenhuizen)’ afdeling. Als je speciale wensen hebt, of problemen kun je dit melden aan een van de verzorgers. Daarna kunnen we dit zonder andere patiënten onder vier ogen bespreken. Indien je wilt meedelen dat de douche niet proper werd achtergelaten of de koffie al koud was kan je meedelen aan het verzorgend personeel, dat vordert het algemeen welzijn. Elke dinsdag kan je een aanvraag tot verlof indienen voor het weekend. In samenspraak met de andere zorgverstrekkers, de psychologen en de psychiater, wordt hierover beslist. Vrijdag voor de middag wordt de beslissing bekend gemaakt. De eerste week moet iedereen hier blijven. Na afloop van deze vergadering ontvang je een weekrooster met de dag aan dagactiviteiten, behalve voor zaterdag en zondag. Zijn er vragen dan meld je dat meteen.’

Ze houdt een rustpauze om hem de gelegenheid te geven een vraag te stellen, Hij staart haar en zwijgt. Ze wil overgaan tot de orde van de dag. Hij steekt zijn hand omhoog.

 ‘Ja Robin?’

 ‘Hoe kan ik… met U een afspraakje maken?

 ‘Privé afspraakjes betekent dat je je hebt misdragen, daar zijn gevolgen aan verbonden…,’ zegt Lia met ingehouden lach.

Iedereen begint te gniffelen.

 ‘Tot hier de bespreking.’

Iedereen verlaat de vergaderzaal. Robin blijft alleen achter.

Lia stopt hem een papier in de handen.

 ‘De weekrooster.’ vermoedt hij.

Er staan géén activiteiten op vermeld, wel bezoekjes aan Bob.

 ‘Waarom mag ik niet deelnemen aan de activiteiten?’

 ‘Vraag het straks aan dokter Deleeuw. Om vier uur in de namiddag kunt u bij hem terecht,’

 ‘Wat doe ik ondertussen?’

 ‘U bent vrij, om rond te lopen en met andere patiënten kennis te maken in de recreatieafdeling. Het is echter streng verboden om op elkaars kamers te komen.’

 ‘Recreatieafdeling?’ herhaalt hij toonloos.

 ‘U kunt er praten, kaartspelen, bordspelletjes doen en televisie kijken.’

 ‘In kamer 21?

 ‘Wat kamer 21? U hebt kamer 21!’

 ‘Komt u mee spelletjes doen?’

 ‘Dit is seksuele provocatie, mijnheer Robin Pas!’

Geërgerd stapt het afdelingshoofd weg.

Robin kuiert van de ene ruimte naar de andere.

 ‘De keuken… één elektrische plaat om één ei te bakken. Geen ijskast, maar wel een boiler. Geen tafel of stoel… ‘

Weinig enthousiast gaat hij naar het recreatielokaal. Er staat een klein televisietoestel met een aantal stoelen op een rij.

 ‘Is dit een kapel? Nee…tafels en stoelen… Spelletjes!’

Het lokaal stinkt naar oud papier en tabak. Er staan geen planten en er hangen geen prenten aan de muur. Voor één van de wanden staat een boekenkast, opgedeeld in kubusvormige vakjes. Spelletjesdozen en speelkaarten zijn niet te vinden.

 ‘Waar zijn de spelletjes?’

 ‘Wat moet je hebben?’ vraagt de man achter de balie korzelig.

 ‘Ik heb nog nooit Money Poly gespeeld.

 ‘Dat hebben we niet.

Robin kijkt lang naar de man bij de balie die zich geen houding weet te geven.

Robin keert hij terug naar de kantine en neemt plaats aan het uiteinde van dezelfde lange tafel.

Een stoere kerel met tattoos, en een 50 jarige vrouw komen bij hem zitten.

 ‘ Ik ben J.P en wie ben jij?’

 ‘Robin.’

 ‘Ik ben Marie.’

Robin negeert hen.

Na een lange stilte zegt Marie:

 Er valt hier weinig te lachen, Robin. Zelfs iemand, vermoord.’

 ‘Moord, wie werd hier vermoord?’ vraagt hij afwezig.

 ‘Hier is iedereen paranoïde. Patiënten, verplegers, iedereen. En als iemand het woord moord durft spreken wordt hij afgezonderd.’

 ‘Afgezonderd?’

 ‘Ja, dan sluiten ze die op in een isoleercel,’ zegt Marie die plots opstaat en de tafel verlaat. J.P volgt haar zonder afscheid te nemen.

Robin kijkt naar de bodem van een glas water.

 

 Bob wacht ongeduldig op Robin.

Je bent te laat Rob, zegt de psychiater die krampachtig zijn linkerhand sluit.

Robin negeert Bob en gaat zwijgend zitten.

‘Robin?’

 ‘Als er al iets is dat ik hier heb geleerd Bob, dan is het geduld.’

‘Hoe gaat het Robin?’

 ‘Ondanks het sympathiek personeel en de sessie ‘hoe verdrijf ik verveling’, voel ik me doodmoe. Enkele dagen geleden werd ik plat gespoten door Boldyboy, je naaste medewerker. Jij hebt de touwtjes in handen en jij bent me uitleg verschuldigd oude vriend.’

 ‘Je hebt gelijk. Ik had je meteen moeten inlichten… Zijn geduld met patiënten is dikwijls ver te zoeken. We hebben de laatste tijd last van onverklaarbare voorvallen. Sinds jouw opname is een van onze medewerksters aangevallen. Er zijn medicijnen gestolen en gisteren werd op jouw afdeling een van onze patiënten vermoordt met een overdosis morfine. Ik wilde je zo snel mogelijk naar deze afdeling overbrengen. Je hebt problemen genoeg. Gaan we nu over tot je therapie …’

Een half uur later neemt Robin afscheid van Bob met een goed gevuld uurrooster. Hij is moe en wil naar bed. Na het avondeten keert hij terug naar zijn kamer. Het bekertje met medicijnen staan niet op zijn nachtkastje. Hij vindt het terug op de bijzettafel. Hij slikt de pillen meteen in en gaat slapen.

 

Klokslag twaalf uur doet Tina haar nachtronde. Ze ziet iemand snel naar de andere vleugel lopen.

Ze wil weten wie het is en loopt hem door de gangen achterna. Plots botst ze op Robin. Hij gedraagt zich als een slaapwandelaar.

 ‘Robin?’

Wezenloos kijkt hij haar aan.

 ‘Is er iets?’

Robin schudt heftig ‘nee’. Hij ziet iets in het duister van de gang. Hij grijpt haar hand, ze verzet zich en brengt hem terug mee naar zijn kamer. Robin blijft achter zich kijken. Ze blijft bij hem tot hij in bed ligt en de ogen sluit. Pas dan verlaat ze stil zijn kamer. Tina gaat naar de balie, vult het logboek in en noteert het vreemde voorval. Terwijl ze in een boek leest, vraagt ze zich af hoe het komt dat Robin slaapwandelt.

Ze controleert de medicijnen die hij krijgt. Haar nieuwsgierigheid neemt toe. Het volledige medisch dossier mag het verplegend personeel nooit zien. De orders van de psychiater en de reacties van de patiënt moeten enkel worden opgevolgd en genoteerd. Aarzelend neemt ze een sleutel uit de schuif van de balie met ‘dossierkamer’ op het label. Op haar hoede opent ze de dossiers kamer en sluit de deur met de sleutel aan de binnenkant. Ze zoekt bij de ‘P’: Palmans, Panis, Pardaens, Pas. Pas Robin!

Ze opent het dossier. Terwijl ze leest beweegt de deurklink. Eerst heel zachtjes, daarna met luid gerammel. Met grote ogen ziet Tina de sleutel aan de binnenkant bewegen. Iemand probeert hem er uit te duwen. Snel duwt ze de sleutel terug in het slot. Iemand vloekt aan de andere kant van deur. Voetstappen verwijderen zich. Aan de balie wordt ze opgeroepen door de zoemer die keer op keer afgaat. Ze durft de dossierkamer niet verlaten. Tina weet dat er een moordenaar in de kliniek rondloopt. In paniek roept iemand haar naam. Ze dwingt zichzelf naar buiten te gaan. Eén van de patiënten klampt haar aan.

 ‘Kom snel!

Tina volgt de radeloze patiënt. Hij vertelt haar dat er iemand aan de balie gevonden werd met een spuit in de hals. van wat er was gebeurd:

Ze neemt de polsslag van het slachtoffer en constateert een overdosis.

Dadelijk belt ze de hulpdiensten en de politie. Robin is op het tumult afgekomen en kijkt apathisch naar de dode patiënt. Tina merkt hem op tussen de groep kijklustigen. Zodra de politie er is verwijdert hij zich, maar Tina verdenkt hem en laat hem arresteren. 

 

Robin wordt wakker op een hard bed de kamer lijkt op die van de gesloten afdeling, maar dan veel kleiner. Hij zoek naar de knop om iemand van het verplegend personeel op te roepen. Deleeuw en een agent komen binnen. Bob gaat op een stoel naast zijn brits zitten. Robin kijkt verbaasd van de agent naar de psychiater. Robin heeft hoofdpijn en vraagt een pijnstiller.

 ‘Robin, sinds je opname in het ziekenhuis hebben er al drie delicten plaatsgevonden. De politie heeft morfine in je bloed gevonden. Ik wist niets van je verslaving. Tot nader order wordt je door een gerechtspsychiater opgevolgd.

Bob verlaat de kamer. Robin merkt niet dat Bob de cel verlaat.

 ‘Mag ik een advocaat bellen, vraagt hij de agent.

 ‘Dat is uw recht mijnheer.’

De agent geeft hem zijn GSM.

 

 Hoofdstuk V

 

Leon Deprez zit in zijn Chesterfieldzetel en leest een boek. Hij geniet van een lekkere Bourgognewijn. De telefoon rinkelt. Geërgerd sloft de advocaat naar het toestel.

 ‘Hallo. Met meester Leon Deprez.’

Leon herkent de gebroken stem aan de andere kant van de lijn niet.

Met wie spreek ik alsjeblieft?’

 ‘Leon… ik ben het… Robin.’

 ‘Wie?’

 ‘Robin Pas. Ik word beschuldigd. van moord.’

 ‘Robin, ben jij het?’

 ‘Ik zit opgesloten in een cel.’

 ‘Waar?’

 ‘Ik weet het niet? Ergens in Antwerpen’

 ‘Geen probleem. Ik zal je vinden. Ik kom dadelijk naar jou, Robin.’

Advocaat Deprez achterhaalt snel dat Robin opgesloten werd in het politiekantoor van het 6de district.

Leon Deprez, is een gepensioneerde advocaat, gespecialiseerd in strafrecht. Hij is een rondborstige levensgenieter van 67 met een halfrond leesbrilletje op het puntje van zijn neus. Robin was zijn beste student en altijd welkom ten huize Deprez.

Een agent laat Leon in de cel. Robin staat moeizaam recht en omarmt de advocaat.

 ‘Leon, je weet niet hoeveel dit voor mij betekent.

Leon tracht zijn ontroering te verbergen.

Robin, hoe is het zover kunnen komen?’

Leon zet zijn opnamerecorder aan.

Robin vertelt wat de laatste jaren met hem is gebeurd.

Tijdens zijn verhaal worden al zijn herinneringen helder.

Als ik het goed begrijp ben je al drie jaar onder psychiatrische begeleiding bij dokter Deleeuw die een goede vriend is geworden. Heeft je huisdokter je doorverwezen naar dokter Deleeuw?’

 ‘Ja, dat deed hij en hij zei dat ik borderline symptomen heb.’

 ‘Wanneer kreeg je dat te horen?’

 ‘Ongeveer zes maanden geleden. Ik heb waarschijnlijk een psychose gekregen. Ik zou geprobeerd hebben mijn zoontje te vermoorden… ik kan het me niet herinneren.

Als ik het goed begrepen heb maakte je ook kennis met Brigitta, ze lijdt aan schizofrenie en was Boldyboy, een hoofdverpleger, zeer brutaal.

 ‘Dat mag je wel zeggen! Die man zijn humor werd bij zijn geboorte geamputeerd.’

 ‘Ik heb de indruk dat iedereen van het verplegend personeel onvriendelijk was.

 ‘Behalve Tina, de nachtzuster.’

 ‘Ze gaf je wel aan voor onvoorspelbaar gedrag?’

 ‘Daar wist ik niks van.’

Deprez stopt de opnamerecorder in zijn aktetas en geeft Robin een vriendschappelijke klopje op de knie.

 ‘Ik ga een paar mensen raadplegen en anderen het vuur aan de schenen leggen. Binnen drie dagen zie je me weer. Je kunt me altijd telefonisch bereiken. Ik zorg er wel voor dat je onder toezicht op de ziekenboeg gevangenis wordt geïnterneerd.’

 ‘Bedankt Leon...’

Voor hij de gevangenis verlaat vraagt Meester Deprez de agent wie de onderzoeksrechter is.

De agent antwoordt dat niemand werd aangesteld.

 

Thuisgekomen telefoneert Leon dadelijk hoofdinspecteur Marc Maes, De plichtsbewuste dienaar van de wet, geniet van een slok verse Arabica-koffie. En laat de telefoon 3 maal rinkelen voor hij opneemt.

 ‘Hoofdinspecteur Maes…’

 Hallo?’ klinkt het aan de andere kant van de lijn.

Maes herkent de stem onmiddellijk.

 ‘Meester Deprez!’

 ‘Marc je bent nog steeds een goede speurder. ‘Leon jouw stem herken ik uit de duizend. Ik heb je gemist vriend. Waarom bel je me pas na 5 jaar?’

 ‘Ik wil jou onder vier ogen spreken’.

 ‘Incognito?’

 ‘Ja, maar ik ben gebonden aan de beperkingen van de advocatuur. De mensen met wie ik werk mogen niet aan mij gerelateerd worden. Procedurefouten kan ik best missen.’

 Ik kan je niets beloven, maar ben wel bereid te luisteren. Waar spreken we af?’

 ‘In het Tolhuis. Het is een goed restaurant. Ik reserveer een tafel op mijn naam van jouw vrouw. Ik nodig Dora uit, een goede vriendin. Ik zorg er voor dat mijn secretaresse mij opbelt en zonder mij af op het terras, een minuut later ga jij gaat naar het toilet. Een deur geeft uit op hetzelfde terras. Daar ontmoeten we elkaar. Zonder dat de dames het merken overhandig ik je een usb stick met alle informatie die mijn cliënt mij heeft gegeven.’

 ‘Mag ik de naam van de beklaagde weten, of is dit geheim?’

 ‘Heb je gehoord van de ziekenhuismoorden.’

 ‘Ja, ik heb er iets over gelezen…’

 ‘De beklaagde heet Robin Pas. Hij was een van mijn beste studenten. Hij kan geen moordenaar zijn!’

 ‘Dat moet nog onderzocht worden, Leon. Ik kijk uit naar onze ontmoeting.’

 

 

Marc Maes, maakt een wandeling met zijn vrouw langs een hellend pad naast de dreef die uitgeeft op het restaurant ‘Tolhuis’. Ze lopen langs hagen met verse bloesems. Eva kijkt liefdevol naar haar man aan en gaat op een bank zitten.

 ‘Kom bij me zitten schat, laten we van de eerste lentezon genieten?’

 ‘Ik vind het nog te fris om buiten te zitten. Ik heb een ontzettende honger. Vlakbij is een goed restaurant. Laten we daar iets eten.’

Eva staat recht en geeft hem een innige zoen.

De inspecteur opent galant de deur van het restaurant. In de hal kijkt Eva verbluft naar het gebouw die ooit een oude opslagplaats was voor veerboten.  Met veel gevoel voor het rustieke gerestaureerd tot een gezellig restaurant: twee kristallen kroonluchters werpen bundels van licht op rustieke schilderijen. Aan alle tafeltjes gedekt met zilveren bestek en damasten lopers zitten mensen.

 ‘Goedenavond, heeft u gereserveerd?’ vraagt de ober.

 ‘Neen, we hebben niet gereserveerd.’

 ‘Het spijt me, mijnheer, alle tafels zijn volzet.’

Leon komt hen vriendelijk tegemoet.

 ‘Met jullie toestemming nodig ik jullie graag uit om samen te lunchen, of op zijn minst een glas met ons te drinken. Dora verlangt ernaar om met jullie kennis te maken, het zou haar enorm plezieren om samen te zitten.’  

Eva en inspecteur Maes volgen Leon naar de gereserveerde tafel. Eva vermoedt niets van het opzet.

Dora, dit zijn Inspecteur Marc Maes en zijn vrouw Eva.’

Dora, een vrouw van ongeveer 70 jaar, met een guitig gezicht, draagt het haar in een knotje.

‘Meen je dat nou Leon? Wat ontzettend leuk! zegt ze met zwaar Hollands accent.

‘Bent u een vis- of vleeseter inspecteur?’

Zonder op antwoord te wachten, leest Leon het menu voor.

Kalfszwezeriken of Sint Jacobsschelpen als voorgerecht. Als hoofdgerecht parelhoen met seizoengroenten en gegratineerde aardappelen, of varkenshaasje in porto met pommes Duchesse. Als nagerecht Champagnesabayon. Ik verzeker je, Marc. Dit maandmenu is niet te versmaden!’

‘Ik twijfel er niet aan dat je advies goud waard is, Leon. Wat denk jij liefste?’

‘Kies jij maar, ik lust alles.’

 

Leon wordt opgebeld en gaat naar het terras. Maes volgt 2 minuten later via de achterdeur van het toilet. Stiekem geeft Leon de USB-stick aan de inspecteur, die hem nonchalant in zijn broekzak stopt. Wanneer Leon wil terugkeren naar het restaurant weerhoudt Maes hem bij de arm.

 ‘Leon, voor het eerst twijfel ik er aan of je oordeel wel juist is. Ik heb Robin Pas nagetrokken en ik ben ervan overtuigd dat jouw favoriete student een heel zieke man is geworden. Depressie, burn-out, borderline… Hij heeft al een aantal psychoses gehad. Deze mensen hebben periodes dat ze normaal functioneren, in een oogwenk kunnen ze echter in een ander uiterste vervallen. Alle bewijzen zijn trouwens tegen hem.’

 ‘Marc, niets wijst er op dat hij de moordenaar is. Het kan evengoed iemand van de patiënten zijn, zelfs het personeel gaat niet vrijuit. We moeten alle pistes volgen. Dat kan alleen met een insider en met behulp van een onderzoeksrechter die naast de lijnen durft lopen.’

 ‘Goed, de toekomst zal uitwijzen wie er van ons gelijk heeft. Ik ken iemand die ons kan helpen: Vera Perdrix, een vrouwelijke onderzoeksrechter waarmee ik een aantal zaken tot een goed einde heb gebracht. Als er iemand is die voor deze ingewikkelde zaak in aanmerking komt, is zij het. Ze is jong en ambitieus…ze laat zich niet vlug opzij zetten en beschikt over een zesde zintuig dat onmiddellijk procedurefouten detecteert.’

 ‘Bedankt Marc, ik wist dat ik op je kon rekenen. Vera Perdrix is inderdaad een prima keuze! We hebben iets te vieren! Laten de dames niet langer wachten. Het wordt een romantische avond!’

Ze keren terug naar het restaurant en toasten op hun vriendschap.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geschreven door Fanny Vercammen op 03/08/2016 - laatst aangepast op 27/10/2016

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home