Ze waren vrienden. Godzijdank, ze waren vrienden. Dat verscheurende gevoel in zijn borst? Dat allesverzengende, hongerige monster dat zich diep genesteld had tussen zijn ribben? Dat zou hij maar in toom moeten houden.

Dan zou er maar een gat groeien.

De Luisteraar zat voor het raam, zijn oren gevuld met onafgebroken, zoete muziek.

Zoals het altijd al was, correspondeerde de muziek perfect met de gevoelens in zijn brein en borstkas.

De diepe, geaarde tonen pompten doorheen zijn ribben. De ellenlange, dooreengewarde melodieën knoopten zich vast aan losse zenuwen die nog niet klaar waren met lijden.

 

De Maker was weer op zoek. Hij had opnieuw oneffenheden, productiefouten en scheuren nodig. Hij had nooit iets anders gekend. Het was een natuurlijke reflex: wakker worden en op zoek gaan naar kleine foutjes in het systeem, die dan ophalen, naar zijn professionele kot brengen en maken. Fixen, in andere woorden. De lange, ebbenhouten schabben boven zijn werkblad worden reeds jaren gevuld met oude horloges, versleten poppen en afgewerkte kruiswoordraadsels.

De Maker wist dat als hij maar genoeg foutjes ongedaan zou maken, genoeg spullen zou fixen, de rust in deze chaotische wereld misschien ooit bereikt zou worden. Daar was hij van overtuigd.

Het was een ongelukkig toeval dat er zoveel mensen rondliepen, want die waren het moeilijkst om te maken. Ze vonden altijd wel een manier om weg te kruipen in straten, zwart door het stof waar ze zo vaak waren doorgegaan. Ze hadden steeds opnieuw de drang om zichzelf te verdrinken in miserie.

 

Op een of andere manier waren mensen net zoals Ikeakasten. Ze zien er op het eerste gezicht simpel uit en komen voor in je dagelijkse leven, maar je hebt er godverdomme lang aan gewerkt om ze juist ineen te steken. Het is een geluk dat ze zo lang meegaan, eens ze correct in elkaar zitten. Hij moest maar eens vertrekken. De maker had een fout recht te zetten.

 

Er was bezoek. Dat had de trouwe dienaar gemeld. Daarna was hij achteruit gewandeld, had het hoofd gebogen, toch lichtjes meeknikkend op het ritme van de compositie.

De Luisteraar had ook geknikt, bevestigend. Bezoek, bezoek, wat eraan te doen?

Wat eraan te doen, wanneer de ritmes net zo fijn in elkaar vloeiden.

Hij wilde geen stromen van woorden, geen verbale beek van nonsens. Hij wilde rust.

En muziek natuurlijk. Altijd muziek. Hij ademde in ritmes. Hij dacht in melodieën. Hij at noten.

Hij werd onderbroken door het kraken van de houten deur. Een langgerekte, zwarte schaduw verscheen als een zielenzuiger op het plafond.

Het was de maker. Daar moest hij niet eens over nadenken. De maker had zijn ziel reeds enige tijd in zijn bezit. De Luisteraar vroeg zich af of de maker in staat zou zijn om het te maken. Zijn gescheurde hart had heling nodig.

Wellicht wist de Maker niet dat er een vertrokken grimas zat achter zijn blanke vest.

 

Je moet een emmer met water laten vollopen. Je moet de fietsband erin houden. Je moet eens goed knijpen. Je moet zoeken, je moet er bijna zeker van zijn dat er lekken zijn, voor je ze kan vinden. Zo is het. Je moet daarvoor eerst merken dat je fiets niet meer zo gladjes rijdt. Je moet de moeite doen om je band van je fiets te halen.

Moeite, moeite, wat eraan te doen?

 

Niemand zou die moeite doen voor hem.

Het lek in zijn borst zou groter worden.

 

Twee handen werden zachtjes neergelegd op de achterkant van zijn met bloemenprint bedekte sofa. Ze gleden subtiel van de rand, tokkelden de ritmes van de trom op de leuningen. De Maker naderde. Elke keer wanneer een pianotoets aansloeg, blies hij zachtjes zijn adem uit. De nek van de Luisteraar rimpelde en krulde, nog niet omdraaien, wees onbewogen, hij heeft echt geen idee. Langzaam voelde hij zijn beschadigde hart vallen uit het gat in zijn borstkas. Hij keek neer, zijn handen waren nog altijd leeg. De pijn, de pijn, wat eraan te doen?

De pijn doet een man zich dingen verbeelden die er niet zijn en dingen verzwijgen die er wel zijn.

Langzaam rees hij, de liefde tegemoetkomend als een vriend. De liefde was meestal blind, niet de verliefde. De liefde lachte gewoon en verwarmde de bloedstromen van de verliefde terwijl die zijn uiterste best deed zijn eigen glimlach niet terecht te laten komen op die van zijn gast. De liefde was blind en had nog steeds de mooiste ogen die de Luisteraar ooit gezien had.

De Maker boog. Hij wilde dansen. Hij had meer tijd nodig. Met muziek kon hij de tijd tot in de eeuwigheid rekken bij de luisteraar, met een dans net tot waar het nodig was. De luisteraar was een fragiel theekopje, dat niet zou aarzelen om over te lopen. Dat vertrouwen had hij, dat wist de maker. Maar het vertrouwen van een geliefde?

Langzaam dwarrelden ze rond elkaar. Het tempo leek steeds trager te gaan, het was echt niet zo dat ze zich dat verbeeldden. Zich iets met z’n tweeën op hetzelfde moment verbeelden, is erg onwaarschijnlijk toch?

De klok tikte dus trager. De ritmes zwollen dus aan en verzwolgen onuitgesproken gevoelens, voeten en vooral tijd.

Voet voor voet brachten ze hun gezichten op gelijke hoogte, de maker lichtjes door zijn slechte knieën zakkend. Die gezichten bleven steken op een expressie van verwachting, verwarring en een band alsof er een draad om hun hoofden gebonden was. Ze zaten aan elkaar vast.

Ik kan mezelf slechts selectief repareren. Ik laat me gaan.

 

Dansen rondom woorden was een goede manier om ze te vermijden, maar de omtrek van hun duet-spiraal werd kleiner, een frontale botsing was nu onvermijdelijk. Met de hoop op een gladjes verloop, opende de Luisteraar zijn mond.

“Wat eraan te doen?”

De gong klonk. De stilte na de muziek sneed de kamer aan flarden. De Maker plaatste de toppen van zijn vingers op de handpalmen die naar hem werden uitgestoken en zei: “Jij zegt dat alles verklaard wordt door muziek. Ik zeg dat de liefde niet klinkend, maar vretend is. Leg je hand op mijn borst. Hoe verklaar je dan dit verlangende gat in mijn borstkas?”

Geschreven door Camilla Peeters op 06/09/2016 - laatst aangepast op 14/03/2017

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home