Half beneveld, half wakker na een slapeloze nacht, dolend in de stad.

 

Ze zweeft in de lucht, wil de engelen vervoegen. Weg van de bedwelmende drukte van de stad. Vredige glimlach rond de lippen. Wil nog zo’n goddelijk verdovend cocktaildrankje. Miserie en ballast verlaten op aarde. Verloren. Zweven, vliegen, zweven, hoger dan de roofvogels. Haar lief is ze kwijt en ook haar stem. Schor en emotieloos.

 

“De jonge man met de baard en de lange haren”, mompelt ze. “Mijn leven heeft hij gestolen. En al mijn zoete dromen. Mijn lach.”

 

Ze wil dansen met Bon Jovi en rennen als een hippie. Slapen in de wolken tot de regen haar wekt. Alsof ze naar beneden stort. Alsof de duivel haar op de hielen zit. Ze rent, geruisloos, holt en rent. Half strompelend en waggelend. Blakerzwart voor de ogen. Pikdonker.

 

“De ogen van de bomen loeien. Ze gaan me verstikken!”, gilt ze. “De straten slorpen me op. De wind doet me tollen als een draaikolk.” En ze gilt en roept en tiert om het hardst: “Help!!!”. En plots “Melanie, Melanie. Word wakker. Snel! Straks missen we de nachtbus nog.”

 

Ogen gaan verschrikt open, zo groot als kolen. Als kolen verdwaald in een kolenhok. En daar staat hij, de jongen met de lange zwarte haren en de stoppelbaard…

 

Geschreven door Fatiha Berrazi op 05/10/2016 - laatst aangepast op 05/10/2016

  • flitsverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home