Mijn naam is Louiza. Ik ben vernoemd naar de beste melkkoe van mijn vader. Louiza was de eerste koe op de boerderij die een record vestigde. Ze slaagde erin om meer dan 100.000 liter melk te geven. In die tijd een mijlpaal in het leven van een koe én in het leven van mijn vader. De regionale pers kwam langs om de heuglijke gebeurtenis te verslaan en voor zover ik weet hangt het artikel mét foto – vader en koe – nog steeds ingekaderd aan de muur in het melkhuis. Die avond in bed draaide mijn moeder zich voor het eerst sinds lang om naar mijn vader. Ze fluisterde hem iets in het oor, liet toe dat hij zich over haar heen boog en zijn geslacht bij haar naar binnen schoof.      

        Van de dertig koeien op de boerderij hadden er in die tijd zes een naam: Bertha, Martha, Carola, Tina, Marva en ten slotte Louiza. Enkele dagen voor mijn geboorte werd Louiza afgevoerd naar het slachthuis. Naar verluidt was de roem haar naar het hoofd gestegen. Ik was het vijfde kind. Het vijfde wiel. En een meisje bovendien. Jarenlang was het vader, moeder en de vier jongens geweest.  Ik was het extraatje. Voor mijn vader een toegeving. Voor mijn moeder een zoethoudertje en voor mijn broers een curiosum.

              Mijn herinneringen haal ik bij een man die de zijne ingeruild heeft voor het grote niets. Hij ligt ’s nachts vastgebonden op een bed en zit overdag vastgebonden in een rolstoel. Hij herkent in mij mijn moeder, zegt elke keer: ‘weet je nog’ en braakt vervolgens een woordenbrij uit waar ik slechts nu en dan iets kan uit opmaken. Terwijl het bandopnemertje dat ik vorig jaar gekocht had voor een proefproject met mijn leerlingen, zijn werk doet, zit ik naast deze man en kijk ik naar de muur. Ik bijt mijn lippen kapot, tot bloedens toe. Hij grijpt soms naar mijn hand, maar ik reageer snel. Hij ziet in mij niet zijn kind, maar zijn vrouw. De verpleegster zegt dat ik de enige ben op wie hij reageert. Of de broers nog steeds elke zondag komen? Ja. Vragen ze naar mij? Neen, niet dat ik weet.        

        Thuis speel ik de opname af en wil ik mijn hoofd tegen de muur slaan. Pas bij de derde of vierde keer begrijp ik wat hij bedoelt. Om de zoveel woorden druk ik de pauzeknop in en tik ik alles over op mijn laptop. Waarom kwel je jezelf zo, vraagt op een dag iemand die er niet is. Ik reconstrueer het verleden, zeg ik. Waarom, vraagt hij. Hij is groot en heeft ravenzwarte haren, donkere priemende ogen en grote, veilige handen. Ik zucht en zeg dat hij er niets van begrijpt, dat hij het ook niet kan begrijpen en dat dat niet erg is. Hij staat achter me, ik voel het. Hij legt zijn handen op mijn schouders en brengt zijn hoofd naar mijn wang om me een kus te geven. Je bent niet de enige met een fucked-up verleden, zegt hij. Ik kijk op van het scherm en hoor mezelf zeggen: Jouw ouders leven nog. Maar hij is er al niet meer. Ik maak het mezelf moeilijk en probeer zo veel mogelijk in één keer te beluisteren.

 

                                                                    *

Het schemerde al toen ik de straat inliep. Auto’s reden af en aan. Afhankelijk van het type wagen schenen de koplampen recht in mijn gezicht. Dan voelde ik me betrapt, herkend. Zo meteen zou iemand me aanwijzen en roepen: kijk hier, de dochter van Vanoverscheldes. Maar dit was het dorp niet. Hier herkende niemand me.

       Het adres had ik gekregen van de vrouw die het koffiehuis openhield. Ze sloot die dag wat vroeger.  Ik weet niet waar naartoe, zei ik alsof het me voor het eerst daagde. Omdat het buiten ijskoud was, omdat mijn drie tassen begonnen door te wegen, omdat ik honger had en dorst, daarom had ik deze ochtend ineens besloten om dit koffiehuis binnen te gaan. Om me aan het raam te zetten met mijn laptop. De vrouw ging bij me zitten, ze had haar jas al aan en haar handtas vast en ze tikte met haar sleutels op het tafeltje. Ze zei: Ja, je zit hier al de hele dag. En ik zei ook ja. En toen zeiden we een tijdje niets. En dan ineens zei ze: Wacht even, ik heb een idee. Ze liep naar de bar, rommelde in een stapeltje papieren, nam haar gsm uit haar jaszak en drukte een nummer in. Ik hoorde niet wat ze zei, maar ik zag haar mond bewegen en ik zag de glimlach op haar lippen toen ze neerlegde. Er was een student die hier heel vaak kwam, zei ze toen ze terug bij me zat, en hij zocht al een tijdje naar een huurder voor de gemeubelde studio in het huis dat hij deelde met drie anderen. En het was nog steeds niet verhuurd. Ik kon daar de nacht doorbrengen en misschien wel langer blijven, de studio huren. Tenminste als dat financieel haalbaar was? Ik schudde mijn hoofd en zei dat ik geld had, en dat het vriendelijk was van haar, om me te helpen. Graag gedaan, zei ze, zo help ik ook Petrus, mijn vaste klant. Petrus, nomen est omen. Hier, dit is het adres en dit is zijn telefoonnummer. Ze nam er nog een blaadje papier bij en schetste snel een plannetje. Ze had mooie groene ogen, dat had ik haar nog willen zeggen.

         “Ik heb niet veel tijd, ik moet zo meteen weg,” zei hij toen hij me binnenliet. Hij gaf me een sleutel, wees me de deur van de studio en zei dat hij morgen rond een uur of elf langs zou komen. Of ik tegen dan kon beslissen of ik zou blijven of niet. Ik knikte en voor ik het wist was hij verdwenen. Ik keek naar de sleutel in de palm van mijn rechterhand. Als iemand me gevraagd had om Petrus te beschrijven, dan had ik dat niet gekund.

        Als vanzelf vond ik de schakelaar om het licht aan te knippen. Er stonden een tafel en twee stoelen in het midden van de kamer en achter een opvallend mooi gordijn zat er een ouderwetse alkoof verscholen met een matras. Op de matras lag een deken, netjes opgevouwen. Lag het hier al de hele tijd of had die Petrus het daar neer gelegd? Wat had de vrouw van het koffiehuis hem over mij verteld? Ik had amper iets gezegd en toch leek het alsof zij alles begrepen had. Er hoorde een klein keukentje bij de studio en een opvallend grote badkamer. Ik had het nog steeds ijskoud en probeerde het water van het bad. De boiler die ineens aansloeg, deed me opschrikken. Nochtans een goed teken. Na het bad zocht ik in één van mijn tassen een joggingbroek en twee warme truien. Eén ervan kon dienst doen als hoofdkussen en de andere trok ik samen met de joggingbroek aan. Het was nog geen acht uur, maar dat kon me niets schelen. Dankzij het warme bad had een enorme loomheid zich in mijn ledematen verspreid. En in mijn hoofd haalde de vermoeidheid het verrassend snel van de onrust die me al de hele dag op de hielen zat.

        Ik droomde die nacht dat iemand de kamer binnenkwam en het gordijn dat voor de alkoof hing opentrok. Het was mijn moeder. Ze had een blauw jurkje aan met een wit kraagje. Ze zag er jong uit, jonger dan ik nu was. Ze ging op de rand van het bed zitten en streelde mijn wang. Ze zei dat ze een man ontmoet had, met zwarte haren die blonken van de brillantine. Hij leek wel een filmster. Ze was hem blijven aanstaren tot hij haar ten dans gevraagd had. Wat zo ging dat in onze tijd, kindje. Hij is als een blok voor mij gevallen, kindje, en ik voor hem. Maar er is een derde in het spel. Ze wil hem inpalmen, ze wil hem van me afpakken. Ze maakt, naar het schijnt, alle mannen het hoofd zot. O kindje, ik wil je vader niet verliezen. Hij vindt me nog jong, maar ik weet het heel zeker. Ik wil hem en niemand anders.        

        Bij het ontwaken viel me op hoe licht het was in de kamer. Ik ging aan de tafel zitten en zag dat de ramen uitgaven op een kleine binnentuin. De zon scheen, het zou een mooie, koude dag worden. Een perfecte dag om de stad te verkennen en ook om enkele hoogdringende zaken te regelen. Misschien dat ik gisterenavond met de staart tussen de benen terug naar huis gegaan was, als de vrouw van het koffiehuis me niet aan dit adres geholpen had. Hij zou me binnen gelaten hebben, dat wel, maar ik zou de smerige grijns op zijn gezichten en het natrappen niet verdragen hebben. Ik herinnerde me weer wat mijn moeder zo vaak zei: Toeval bestaat niet.

        De herinnering aan de droom kwam pas later. Toen ik probeerde te beschrijven hoe ik vader voor het eerst bezocht had. Hij zei dat hij het koud had en vroeg waarom ik niet langer bij hem sliep. Was er iets, misschien?

        Het liep al tegen enen aan toen ik geklop op de deur hoorde. Petrus! Ik wist dat hij zou komen en toch schrok ik weer. Ik klikte op het Opslaan-icoontje en klapte het scherm van mijn laptop naar beneden. “Sorry dat het gisteren zo snel moest,” zei hij nog voor hij binnenkwam. Ik schudde mijn hoofd, maar hij was me voor. “En, neem je het?” Hij stond al bij het raam en tikte op het glas. Net zoals gisteren, leek hij me enorm gehaast en meer nog, erg nerveus. “De tuin hoort bij de studio. 300 euro per maand. Dat is niets in een stad als …” Hij sprak ontzettend snel, ik onderbrak hem en zei: “Ja, 300 is goed.” En toen stond hij alweer bij de deur. Ten laatste tegen morgenavond moest ik naar het verhuurkantoor hier om de hoek om alles in orde te maken. Of dat zou lukken? Ik knikte weer en hij zei nog tot later en was alweer verdwenen. Dat hij me de hele tijd niet aangekeken had, bedacht ik nog voor ik het scherm van de laptop weer open klapte.       

        Pas tegen de avond kreeg ik honger. Ik was langs een supermarkt gekomen tussen het koffiehuis en de studio in. Ik trok andere kleren aan, poetste mijn tanden en toen ik opkeek van de lavabo bleven mijn ogen haperen aan de ogen in de spiegel.

 

        

Geschreven door Valerie Tack op 02/01/2014 - laatst aangepast op 11/03/2014

  • proza

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home