Ik ben Gert Vanlerberghe en ik ben ziek.

Nee.

Is dit wel een goed begin? Akkoord, met deze openingszin wek ik nieuwsgierigheid op bij de lezer en dat is goed, dat is zelfs uitstekend. In een volgende zin kan ik dan ook nog specificeren of het om een mentale dan wel een fysieke ziekte gaat. Is het wel oké om mijn eigen naam te gebruiken? Wat anders? Ik ben Mark Vandenbosch en ik ben ziek? Maar het gaat over mij!

Hoe zou ik dit het best kunnen formuleren? Uiteindelijk is het geen ziekte waar ik aan zal dood gaan. Dat hebben dokters mij al vaak genoeg in de oren geknoopt. Al jarenlang verzekeren ze me dat het me niet kapot zal maken, maar dat het wel als een zware last op mijn sociale leven zal wegen. Meer nog, dat de ziekte mij zal definiëren.

En hoe leg ik mijn ziekte dan precies uit? Nee. Laat ik bij het begin beginnen. Wat is het begin?

Ik ben Gert Vanlerberghe en ik ben ziek.

Het is niet gemakkelijk om wat dan ook te schrijven, zeker niet als het over jezelf gaat. Want dat lijkt me nog het beste. De waarheid schrijven. Pure non-fictie. Enkel en alleen de feiten en hoe het allemaal precies is gegaan. En er is veel om over te schrijven. Want in mijn korte leven heb ik al heel wat meegemaakt.

Zo zou ik het kunnen hebben over mijn ouders en hun jarenlange ruzies. Niet dat die ruzies jarenlang duurden. Er waren ook momenten van peis en vree. Maar, om duidelijkheid te scheppen, moet ik hier toch bij vertellen dat ze jarenlang heel regelmatig ruzie hebben gemaakt. Als ik straks over dit onderwerp begin te schrijven, moet ik dat al van in het begin duidelijk maken. Al in de eerste zin. Maar goed, daar kan ik dus over schrijven. Mijn vader die geen fles ongemoeid liet. Als er maar alcohol in zat. Mijn moeder die geen penis gerust liet. Als het maar niet die van mijn vader was. Op een avond, toen mijn werkloze vader al aan zijn derde fles wodka van de week bezig was – dat was een dinsdagavond, als ik me niet vergis – kwam mijn moeder thuis met een onmiskenbare zuigplek in haar hals. Ik was elf en de eerste getuige van dit onheilspellende brandmerk van overspel. Dat mijn moeders haar volledig in de war was, merkte ik pas enkele beschaamde seconden later. Mijn vader, die er met zijn verweerd gezicht, glazige blik en eeuwige whiskywalm ook niet al te fris uit zag, zat op dat moment voor de televisie te ronken. Na het zich soldaat maken van die derde fles, was hij als een blok in slaap gevallen. Tijd genoeg dus voor mijn moeder om zich naar boven te haasten, te douchen, andere kleren aan te trekken (ik zou voor een koltrui zijn gegaan) en het eten beginnen te maken (ik had honger). En zo joeg de elfjarige prepuber zijn overspelige moeder de trap op, terwijl hij muisstil de zapper van zijn ladderzatte vader probeerde af te nemen, opdat hij naar F.C. De Kampioenen zou kunnen kijken. Echt traumatisch was deze specifieke avond dus niet, maar wel zeer typerend voor mijn jeugd. Ik zou dus over die avond kunnen schrijven, maar ook over die keer dat mijn vader mijn moeder in het ziekenhuis heeft geslagen – nu ja, de plaats van het misdrijf was natuurlijk niet het ziekenhuis, maar eerder het echtelijke bed, maar dat is nu eenmaal een veel gebruikte uitdrukking – of over die keer dat mijn moeder alle drankvoorraad van mijn vader in het W.C. heeft leeg gegoten. Nu ik er zo aan terug denk, volgens mij was dat laatste voorval heel kort voor het eerste. Oorzaak en gevolg voor dummies. Maar goed, keuze genoeg dus.

Dan is er nog mijn broer Erik. Drie jaar ouder dan mij en een ware pestkop. Als zwartharige tiran leek hij me Satan vermomd als lastige puber, speciaal door God van zijn wolk getrapt om mij het leven zo moeilijk mogelijk te komen maken. Eigenlijk zijn er geen momenten van broederliefde die ik me nog kan herinneren, en mijn geheugen is nochtans even compleet als de drankvoorraad van vaderlief, die, hoewel hij aan één stuk door kon drinken, er steeds een zaak van maakte om zijn voorraad nauwkeurig aan te vullen. Maar ik had het over mijn broer. Om te beginnen maakte Erik altijd mijn speelgoed stuk. Hij brak iets in de woonkamer en stak de schuld op mij. Hij brak iets in de keuken en stak de schuld op mij. Hij brak iets in de badkamer en… Nou ja, u snapt het ondertussen wel. Hij deelde één van mijn vader zijn flessen wodka met zijn vrienden en zorgde ervoor dat alle aanwijzingen in mijn richting wezen. Alsof ik de fles van een agressieve dronkaard zou ledigen. Dan kan ik beter de grot van een bloeddorstige cycloop binnensluipen om diens kudde schapen stuk voor stuk een stevige beurt te geven. Maar goed, het resultaat was dan ook geen twintig jaar op zee maar een maand huisarrest en goed wat kletsen erbij. Op de speelplaats stookte Erik iedereen tegen me op, terwijl hij zelf ongelofelijk geliefd was. Hij kon alle meisjes krijgen die hij wou, en wanneer ik ook eens een vriendinnetje had, dan ging hij ermee lopen. Hij en hij alleen is verantwoordelijk voor mijn immens laag zelfvertrouwen. Hij stoorde me altijd bij het studeren, waardoor ik zulke lage punten haalde in mijn eerste jaar Geschiedenis dat ik er maar beter mee kon ophouden. Toen ik dan werk moest gaan zoeken, bleek hij al een bedrijf te hebben opgericht. Onder druk van mijn moeder, ondertussen gewillige weduwe (die lever van mijn vader kon toch niet meer gered worden), zorgde Erik ervoor dat ik op zijn bedrijf aan de slag kon gaan, maar hij behandelde me vijf jaar lang als een slaafje, en ontsloeg me wanneer ik het niet eens zag aankomen. Midden in de financiële crisis. Ondertussen ben ik al zeven maanden werkloos en is er niet het minste sprenkeltje hoop dat daar gauw verandering in zal komen. Maar daar kom ik straks wel op terug. Of niet.

Ik kan het ook over mijn vrouw Françoise hebben, die in het begin van onze relatie een paar keer in Eriks bed is beland, maar waar ik dan uiteindelijk toch nog een korte periode van geluk mee heb gekend. Tot ze, na haar vierde miskraam, ook haar goed humeur voor eens en altijd kwijtspeelde, en me op haar beurt al mijn vrije tijd afnam. Een overrijpe Cunégonde waar geen land meer mee te bezeilen viel. Elke avond moest ik meteen na het werk thuis zijn om alle tijd die me nog restte aan haar zijde te spenderen, en dat was ondertussen alles behalve een pretje. Dan keken we wat naar haar geliefde tv-programma’s, van die typische zogenaamde realitysoaps waarbij zelfs de modale burger ondertussen al zo’n vijf jaar heeft afgehaakt. Ze vergeleek mij altijd met de, in haar ogen perfecte, losers die aan zulke programma’s meedoen, en begon daar dan een ongelofelijke zaag over te spannen. Toen bleek dat ze dan toch eindelijk zwanger was geraakt, niet van mij maar van mijn baas Erik, was de maat vol en gooide ik haar buiten. Tenminste… dat probéérde ik, maar met de hulp van mijn broer – die meteen van de gelegenheid gebruik maakte om me te ontslaan, maar dat had ik al verteld – wist ze mij zo ver te krijgen om mijn boeltje te pakken en in één of ander kruipkot te gaan wonen waarvan ik de huur met mijn dopgeld nog nét kan betalen.

Mijn huidige buren maken me ook niet bepaald gelukkiger. Misschien moet ik het daar ook over hebben in mijn kortverhaal. Wat mijn bovenbuur overdag uitsteekt, daar heb ik het raden naar, maar ’s nachts is hij een fulltime snurker. Sommige nachten heb ik de indruk dat mijn gehoor even sterk ontwikkeld is als Jean-Baptiste Grenouilles reukorgaan en dat ik ongewild elk aspect, elke nuance, elk detail van het hels lawaai tot op het kleinste foneem kan analyseren. Dat ik niet meer de vertrouwde gedempte geluidsbrij hoor, maar lagen in zijn symfonisch snurkorkest kan ontdekken, als ware het de minst toegankelijke groeiplaat van Radiohead. Met dat verschil dat die helse geluiden als van uit een houtzagerij me in dezelfde mate kwellen als dat Thom Yorkes kunstwerkjes mijn oren strelen. Overdag is die man gelukkig gaan werken, Giazotto weet waar. Maar dan zijn er mijn onderburen nog. Een Pools koppel, allebei aan de dop, hoewel hun dagelijkse activiteit aan het huishoudelijk front geen 9-to-5 job is. Jammer voor mij. Deze oorlogsfilm zonder beeld – waarvan de onmiskenbare strijdkreten, nauwelijks gesmoorde verwensingen en spectaculaire voltreffers me zo overtuigend voorkomen dat de audio van de Slag bij Iwangorod, bij vergelijking, op die van een peutertuin zou lijken – wordt voorzien van een soundtrack door de melomaan die in het appartement tegenover mij woont. Nooit zullen deuren zich zo nutteloos gevoeld hebben als de twee op mijn verdieping. Ik kan ze even goed wagenwijd openzetten en onze Lonsdale-fanaat overtuigen om hetzelfde te doen. Het zou hetzelfde effect hebben. Soms is het moeilijk om precies uit te maken wat de bron van welke beat is. Razendsnelle dreunen komen meestal van tegenover mij, maar je zou ervan opkijken hoe vlug Aleksys vuisten het corpulente lichaam van zijn vrouw kunnen bewerken. Ritmisch slagwerk waar zelfs John Bonham, God hebbe zijn ziel, nog iets van had kunnen opsteken. Is er dan toch een link tussen titel en betekenis bij ‘Moby Dick’? Maar ik dwaal af. Net zoals mijn uitvoerig gefolterde hersenen tijdens het online zoeken naar werk. Een keuken heb ik niet, een tafel ook niet, en vensters of nachtrust al evenmin. Maar draadloos internet dan weer wel. Mijn enige manier om aan een job te geraken trouwens, want met zulke wallen en zo’n moordlustige blik in mijn ogen kan ik toch geen interim-kantoren gaan afschuimen? Mocht de grijze consulente aan de andere kant van de tafel iets te energiek en te ritmisch met haar balpen klikken, ik zou in staat zijn om een spontane lobotomie op haar door anciënniteit afgestompte ambtenarenbrein uit te voeren. In dat geval zou de balpen in kwestie nog als scalpel kunnen dienen. Beter dat dan nodeloos gemarteld te worden door de duim van een aan een terminale vorm van bore-out lijdende pennenlikker die al jaren met pensioen had moeten gaan.

Werk zoeken lukt dus van geen kanten. Overontwikkelde ergernis lijkt mijn enige bezigheid te zijn, dag en nacht. Op zoek naar iemand met stuk geknarste tanden en een tot capitulatie gedreven hersenpan? Ik ben je man!

Heb je trouwens al kunnen raden wat mijn ziekte is? Zo moeilijk is het eigenlijk niet. Het is het leven. Het is de wereld. Het zijn de mensen die er wonen. Er zijn niet veel geneesmiddelen beschikbaar om me van deze kwaal te ontdoen. Misschien is het net andersom en ben ik de kwaal die chirurgisch uit de zieke wereld moet worden verwijderd. Maar uit het raam springen is geen optie. Ik ben Gert Vanlerberghe en ik ben ziek. Maar het is inkt die me besmet heeft. Inkt, papier en een beetje verbeeldingskracht. De overige personages die deze verhaalwereld bevolken zijn de oorzaak van mijn ongeluk. Er is dus maar één manier om dit alles te eindigen en dat is het onverbiddelijke maar oh zo verlossende einde van dit kortverhaal. Inderdaad, beste lezer. Ik ga van de bladspiegel springen. De spectaculaire dood van een misnoegd personage-verteller. Vaarwel.

2010 - Gert Vanlerberghe

Geschreven door Gert Vanlerberghe op 15/01/2014 - laatst aangepast op 19/01/2014

  • proza

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home