'God ziet u.' De spreuk hangt boven de deur naar het kantoor van de directrice. Daarbinnen ruikt het naar lentelucht. Maar de ramen zijn gesloten en het kan niet anders dan haar parfum zijn, verneveld over haar weelderige rode mantelpak met zwarte knopen.

Ze gebaart me te gaan zitten. Mijn grommende buik probeert haar erop te wijzen dat hij de laatste dagen verwaarloosd is. Dat er enkel fastfood in verdween tussen lesvoorbereidingen, verbeterwerk en vergaderingen door.

Ik kijk op mijn horloge. Binnen tien minuten is de pauze voorbij en moet ik naar 3B. Een toets afnemen over zinsontleding.

‘Laat ik meteen de koe bij de horens vatten’, zegt de directrice. ‘Ik heb klachten gekregen. Over jou. Zowel van leerlingen als van ouders.’

Het speeksel trekt weg uit mijn mond. Ik probeer te slikken, maar mijn tong is plots een dorre tak in het midden van de woestijn.

De directrice staart naar haar computerscherm. Bewaart ze daar misschien een lijst met al mijn zonden?

‘Je hebt een leerling gestraft, omdat hij jouw boekentas uit het raam heeft gegooid. Van de tweede verdieping, om precies te zijn.’
Ze rolt met haar ogen, schudt haar hoofd en klakt met haar tong.
‘Zoiets doe je toch niet? Onze leerlingen zijn onze klanten. We moeten hen tevreden houden.’
Haar blik verandert mijn huid in een speldenkussen. De lucht vloeit uit mijn gescheurde poriën.

‘Die leerling deed je conditie een plezier door je een keer extra op en neer te doen lopen’, mompelt ze. ‘Maar goed. Een dag later heb je dan ook nog drie leerlingen naar de leerlingenbegeleider gestuurd, omdat ze je buiten het klaslokaal hadden gesloten.’

Ze kijkt me aan en glimlacht. ‘We kunnen toch nog tegen een grapje, nietwaar? Ik denk dat de leerlingenbegeleider wel belangrijkere dingen te doen heeft.’

Ik sla mijn armen over elkaar. Mijn hart bonst tegen mijn hand. De aanzwellende drum in mijn oren kan niet op tegen het getrommel van haar lange nagels op het tafelblad.

Tikketakketikketakke.

Maakt mijn stilte haar nerveus?

Ze wendt zich af van haar computer en gooit een plastic mapje op de tafel. Het bevat papieren met de hoofding van de school. Ik herken mijn handschrift. Het zijn de blaadjes die ik ingevuld heb om de leerlingen strafstudie te geven. Ze haalt ze uit het mapje en legt ze op een rijtje naast elkaar.

‘Kijk eens aan. Als jij ervoor zorgt dat deze aanvragen voor strafstudie veranderen in positieve, constructieve opmerkingen aan de leerlingen, dan veeg ik er de spons over. En dan mag je de rest van je vervangingsopdracht afmaken. Je bent nu twee weken hier, dus nog zowat 30 dagen te gaan, nietwaar?’

Mijn botten zijn veranderd in elastiek. Er sijpelt iets tot in mijn merg, maar mijn hoofd is te murw om te onderscheiden of het onmacht, woede of verdriet is. Het doet mijn benen in elk geval trillen.

De directrice heeft geen geduld. Ze zucht en veegt de blaadjes met één zwaai van de tafel.
‘Goed dan’, monkelt ze. ‘Jij je zin.’
Ze staat op, maar ze loopt niet naar de deur om me eruit te zetten. Nee, ze komt naar mij toe en trekt bruusk aan mijn arm. Haar kracht overvalt me en ik laat me meeslepen tot bij het raam. Ze gooit het open en gilt vlak bij mijn oor: ‘Weet jij echt alles beter? Spring dan, als je durft! Jij waant je toch zo geweldig? Misschien krijg je wel vleugels!’

Er zit een steen in mijn keel die geen schreeuw laat ontsnappen. Een paar meter onder mij zie ik de leerlingen krioelen over het grijze beton. Ik raak hun gelach en gejammer net niet aan.
De greep van de directrice verslapt. Haar nagels drukken nog licht door mijn mouw.

Ze duwt me opzij en gooit het raam weer dicht. Dan legt ze haar handen op mijn schouders en kijkt me aan. Haar gezicht is veranderd. In haar ogen schemert tevredenheid.
‘Prima’, fluistert ze. ‘Daar heb je goed aan weerstaan. Misschien heb je dan toch meer ruggengraat dan ik dacht.’

Ze loopt me voorbij en neemt weer plaats achter haar bureau.

De weg naar de deur is vrij. Ik scherp mijn ogen aan de buitenwereld die zich door de kieren wringt. Onvast wankel ik ernaartoe, falend in de illusie van zelfzekerheid.
‘Nog een laatste opmerking, schat,’ zegt ze wanneer ik mijn hand uitstrek naar de deurklink.
Ik wil het niet horen, maar toch blijf ik staan. Mijn ondergeschiktheid hangt als een te zware mantel om mijn schouders en lijmt mijn voeten vast.

‘Hoewel je als leerkracht niets voorstelt, zou jij wel een prima assistente zijn. Een luxe voetveeg, als het ware. Doe wat ik je vraag en je mag me overal volgen. Via mij zul je ervaren wat macht is. Meer dan dat zul je nooit bereiken. Nu te nemen of te laten.’

Ik open de deur. De gang vangt me op in zijn leegte. Ik haast me naar beneden.

Naast de buitendeur zit een leerling aan het raam. Zijn engelachtige gezicht zweeft boven zijn opgestoken middelvinger.

 

Geschreven door Gitta VR op 31/03/2017 - laatst aangepast op 06/04/2017

  • flitsverhaal
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home