‘Edo?’

Ik zucht gelaten. Het noemen van mijn naam is steevast de voorbode van gedoe. Edo, zet je even de afvalbakken aan de straat? Edo, heb je dat lampje nou al vervangen? Edo, rijd je even mee naar mijn moeder? Edo dit, Edo dat.

Ik hoor haar schuifelen achter mijn rug, als een naderend onheil.

‘Edo, wat is dit?’

Zonder me om te draaien weet ik wat ze bedoelt.

Waarom ben ik niet zorgvuldiger geweest? Ik had de brief gewoon weg kunnen gooien, maar in plaats daarvan heb ik hem tussen de stapel reclamefolders en huis-aan-huisbladen in de lectuurbak naast de bank geschoven. Misschien wel met opzet, zodat mijn ‘het is me totaal ontschoten’ niet ongeloofwaardig zou klinken.

Maar vorige week werd dat scenario plotseling overbodig. Peter S., een man van 45, had zichzelf aangegeven. Het nieuws was als een lopend vuurtje door het dorp gegaan en ’s avonds opende het journaal ermee. Blijkbaar voelde de dader zich door het aangekondigde DNA-onderzoek zo in het nauw gedreven dat hij geen andere uitweg meer zag. Ruim voordat alle vierduizend opgeroepen mannen zich hadden gemeld, kuste S. zijn vrouw en fietste hij naar het politiebureau. Daar legde hij een volledige bekentenis af. Daarmee was de moord op Mariska van der Geest - een eenentwintigjarige leerling-verpleegkundige die zeven jaar geleden gewurgd langs het kanaal was gevonden - plotseling opgelost.

Vreemd genoeg bezorgde die ontwikkeling me geen gevoel van opluchting. De brief liet ik dan ook gewoon liggen waar hij lag.

En nu had ze hem gevonden, tijdens een van haar regelmatig terugkerende pogingen om de lectuurbak netjes te houden.

‘Vergeten,’ zeg ik zo nonchalant mogelijk. Pas daarna draai ik me om. Verkeerde volgorde, besef ik te laat. En ook haar is het niet ontgaan.

‘Vergeten?’

‘Ja, totaal niet meer aan gedacht.’ Ik pak de brief uit haar handen, kijk ernaar alsof het een uitnodiging betreft voor een buurtfeest of een kortingsactie van een hondentrimsalon. De officier van justitie verzoekt… Ik haal mijn schouders op. ‘Die kan weg.’ Ik duw het papier tegen haar vingers, maar ze neemt het niet van me aan.

‘Waarom heb je hier niets over verteld?’

‘Het stond toch in de krant? Het kwam zelfs op het journaal. Alle mannen die op het moment van de moord binnen een straal van vijf kilometer van de vindplaats woonden, kregen zo’n oproep. Ik dus ook.’

‘Ja, maar waarom heb je het niet verteld? Waarom heb je hem niet laten zien?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Ik vond het niet belangrijk, denk ik.’

Er vormt zich een barst in haar gepleisterde voorhoofd. ‘Dat vind ik een beetje vreemd. Begrijp je dat, Edo? Ik bedoel, zo’n soort brief krijg je toch niet iedere dag, het verzoek om DNA af te staan in verband met een moord. Niet iets wat je zomaar vergeet, toch?’ Als ze ‘vergeet’ zegt, maakt ze met haar wijs- en middelvingers twee krabbende bewegingen in de lucht.

‘Vierduizend mannen hebben die brief gekregen. Vierduizend.’

‘Al waren het er vier miljoen, daar gaat het niet om. Jij kreeg hem. Kijk maar, hij is aan jou gericht.’ Nu trekt ze de brief wél uit mijn hand en houdt hem pal voor mijn neus. ‘Kijk, hier staat het, met naam en toenaam. Zie je wel?’ Ze tikt met haar wijsvinger op de achterkant. ‘Je had mij op z’n minst kunnen laten zien dat je die brief ontvangen had.’

‘Nou, je hebt hem nu toch gezien?’ zeg ik stuurs. ‘Bekijk hem maar goed. Nee, weet je wat: lijst hem in en hang hem boven je bed. Blijkbaar windt het je nogal op dat ik werd opgeroepen voor een DNA-onderzoek.’

‘Waar je dus geen gehoor aan hebt gegeven.’

‘Het was niet verplicht. Dat staat ook in die brief.’

‘Waarom heb je er niet aan meegedaan?’

‘Ik kreeg de kans niet. Toen ik wilde gaan, had die Peter S. zichzelf al aangegeven.’

Een moment kijkt ze me met haar grote ogen meewarig aan. ‘Je kreeg de kans niet… Wie houd je nou eigenlijk voor de gek, Edo?’

‘Zeg dat niet, alsjeblieft.’

‘Zeg dat niet,’ smaalt ze. ‘Zeg dat niet.’

In een reflex leg ik mijn hand op haar vlezige mond en smoor haar lach in de kiem. Ik laat pas los als ik ook haar ogen het zwijgen heb opgelegd. Dan neem ik de brief voorzichtig uit haar vingers, strijk de kreukels glad, en stop hem terug waar ze hem gevonden heeft.

‘Ik ga het gras maaien,’ zeg ik, ook al heeft ze daar niet om gevraagd.

Geschreven door Grand Foulard op 04/06/2017 - laatst aangepast op 04/06/2017

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home