Jaren geleden was ik in Borneo. Voor het krieken van de dag, reden we naar een natuurcentrum aan de rand van het regenwoud om er de orang-oetans te gaan bekijken. De sympathieke rosse beesten werden gelokt met vers fruit. Vanachter een gecamoufleerde kijkwand zagen we hoe ze hun lange harige armen uitrekten en vervolgens knabbelden op de vruchten, terwijl ze nog wat versuft in het rond staarden, zich niet bewust van de groep toeristen die alles gade sloeg. Het tijdstip van de dag was niet toevallig, want later op de dag laten zij zich niet meer zien zo dicht bij de bebouwing.

 

Vanmorgen kwam ik toe in het provinciehuis. Niet op mijn gebruikelijke tijd, maar vandaag een uur vroeger. Het gebouw was nog half duister, de receptie nog niet bemand. Mijn stappen galmden door de gang. Terwijl de soort zich later op de dag graag verschuilt in zijn natuurlijke habitat van dossiermappen en archiefkasten, slaagde ik er op dit vroege uur wel in om enkele ambtenaren in volle beweging  te observeren.

 

Ik trof een eerste exemplaar bij de prikklok. Angstig keek hij in het rond toen de klok 8u03 aangaf. Kennelijk was het zijn bedoeling geweest om voor de klok van acht zijn werkplek te bereiken. Met een rotvaart schoot hij er vandoor in de richting van zijn vertrouwde nest, waarbij hij nog één keer achterom keek om toch zeker te zijn dat hij niet zou worden gegrepen door een teamleider, afdelingshoofd of ander roofdier. In die ene blik zag ik zijn doodsangst. Wat is de natuur toch mooi.

 

In de keuken, bij de koffiemachine, zag ik een prachtig ambtenarenwijfje. Ze was druk in de weer om het zwarte vocht te bereiden voor haarzelf en enkele groepsgenoten. In al haar drukte had ze niet gemerkt dat ik haar al genaderd was tot op enkele meters. Toen ze mij opmerkte, schrok ze op en begon hevig in het rond te fladderen. Ze krijste, graaide nog snel enkele speculoosjes mee en vloog weg.

Ik liep verder door de gang. Door een openstaande deur zag ik een ouder exemplaar die driftig te keer ging met een dikke rode stift in de agenda die voor hem lag. Op mijn tenen sloop ik dichterbij. Van achter zijn schouder las ik, op het scherm voor hem: “Beslissing van de Bestendige Deputatie, in toepassing  van de rechtspositieregeling en na overleg met de vakorganisaties, houdende vastlegging van de bijkomende vakantiedagen voor het kalenderjaar 2017.”

 

Ik voelde me intens blij dat ik zoveel levenslust had mogen aanschouwen, zo vroeg op de dag. Intens blij, maar ook intens moe. De laatste meters naar mijn eigen kantoor leken eindeloos. Doodmoe leunde ik achterover in mijn bureaustoel en sloot mijn ogen. Dat had ik nu wel verdiend. 

Geschreven door Roel Nijleend op 17/07/2017 - laatst aangepast op 17/07/2017

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home