“Dag Boris”, zei ze. De moordgriet van de zesde klas.

 

En daar stond ik dan met mijn mond vol tanden. Hevig bibberende mond waar nauwelijks iets uitkwam. De woorden bleven haperen ergens achter mijn verhemelte. Majestueuze afgang.

 

“Dag Doris”, stamelde ik na wat een eeuwigheid leek. Alle gedachten in mijn brein sloegen op hol, verloren in hersenspinsels. Ze liepen sneller dan de woorden die verstijfd bleven steken op mondhoogte. Haar jongemeisjesblik kleedde me uit. Frivool en onschuldig tegelijk. Eeuwige onzekerheid vurig aangewakkerd. Ze wachtte op poëzie die niet zou komen. Ze begreep me, den Boris verstrengeld in verlegenheid. En wou me niet langer kwellen. Ze zweeg, een paar ellenlange seconden lang, en gooide toen een snoepje naar me. Mijn behendigheid was echter thuisgebleven. De begeerde zuurbal belandde in de goot. Doris’ reddingactie verdwenen in de mist. Enkel een natuurfenomeen kon me nog redden. Nooit gedacht dat ik naar regen zou snakken. Hevige regendruppels waarin ik zou verzuipen en vliegensvlug afdruipen. Doris vuurde nog een zuurbal op me af. En ze lachte en lachte. Haar aanstekelijke schaterlach deed mijn schuchterheid ontdooien. Daar verscheen warempel een smile op mijn gezicht die zich uitzaaide tot achter mijn oren.

 

Boris en Doris op weg naar eindeloze vriendschap. B + D = oneindige fusie met een brede waaier aan mogelijkheden. Een gedroomd item voor haar dagboek. Dat kleine minuscule roze schriftje met harde kaft en hanengekriebel.

Geschreven door Fatiha Berrazi op 26/10/2017 - laatst aangepast op 26/10/2017

  • proza

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home