Haar hoed was het enige bijzondere aan haar, bedacht Adriaan. Hij zette een stap opzij. Die rijglaarsjes waren ook niet mis. Als hij met haar naar bed zou gaan, zou hij vragen om hoed en laarsjes aan te houden. Daartussen een wit en te verkennen lichaam. Het gezicht... moeilijk te zien... hij zou wat dichterbij moeten gaan staan.

Adriaan keek over zijn rechterschouder naar achter en telde de bezoekers. Het kerkhof was minder stil dan gewoonlijk. Er liepen mensen met reusachtige chrysanten in hun armen. Er waren nu ook mannen en kinderen bij. Meestal waren er alleen de oudere vrouwen, met hun gieters, borstels en schoffels in de weer.

En dan zij. De laatste drie, vier keer, was zij er altijd geweest.

 

Wat doe ik hier?, vroeg hij zich af.

Ik sta hier aan seks te denken, antwoordde hij zelf. Tania beweerde dat hij niet genoeg aan seks dacht. Wat weet zij daarvan? dacht hij, kan ze soms in mijn hoofd kijken? De laatste tijd dacht hij juist vaker aan seks. Net zoals nu. Hij dacht eraan, maar als aan iets buiten hem, iets wat mensen doen en hij soms ook, maar terwijl hij eraan dacht, scheen het niets met hem en zijn lichaam te maken hebben. Hij dacht aan seks met die vrouw in het zwart, met haar hoed en haar laarzen, maar alsof iemand anders, misschien een dubbelganger van hem het zou doen, terwijl hij zou observeren. Het wond hem niet eens op.

Hij keek op zijn horloge. Ze stond al minstens tien minuten bij dat ene grafmonument, een soort obelisk. Hij stapte tussen de grafstenen door in haar richting.

‘Is dit familie van u?’ Hij wees naar het blok. Ze draaide haar hoofd in zijn richting. De hoed maakte haar inderdaad bijzonder. Vrouwen van haar leeftijd –ze moest een jaar of veertig zijn– droegen tegenwoordig geen hoeden. Nochtans stond hij haar goed. De rand lag schuin over haar voorhoofd en liet langs een kant wat donker haar vrij. Haar gezicht was wit en strak. Ze keek hem een paar seconden aan en schudde toen langzaam haar hoofd heen en weer.

‘Neen,’ zei ze, ‘of toch... in zekere zin... misschien... vrees ik.’

Ze keek naar het graf alsof vandaar uitsluitsel moest komen. Hij keek mee in dezelfde richting.

‘Camille Jenatzy, geboren in 1868, gestorven toen hij... vijfendertig was’, rekende hij hardop uit.

‘In een jachtongeval,’ voegde zij eraan toe.

‘Hoe weet u dat?’, vroeg hij.

‘Uit De Geschiedenis van de Belgische Auto.’

Hij viel zonder woorden en ze vervolgde op docerende toon:

‘Jenatzy was de man die als eerste in de geschiedenis honderd km per uur haalde met een auto.’

‘Waarom is dat zo belangrijk voor u?’

‘Dat is niet belangrijk voor mij. Het gaat om de auto, om de naam van de auto.’

‘De naam van de auto?’

‘La Jamais Contente. Naar het schijnt, noemde hij de auto naar zijn vrouw.’

‘Zo... grappig... interessant...’

‘Interessant misschien, maar niet grappig. Begrijpt u het dan niet? Natuurlijk niet, want u bent een man.’

‘Als u mij wat meer vertelt, zal ik het misschien begrijpen.’

‘Ik kan u niet meer vertellen, want ik weet er niet meer van.’

Het klonk lichtjes ongeduldig.

‘Kunt u zich echt niet indenken hoe het moet geweest zijn om door je man La Jamais Contente genoemd te worden en dan nog en plein public?’

‘Maar misschien was het helemaal niet slecht bedoeld? Misschien was het juist een compliment?’

Ze zweeg en leek na te denken. Er vormden zich drie verticale rimpeltjes tussen haar wenkbrauwen. Dan ontspande haar gezicht. Voor het eerst keek ze hem echt aan.

‘Toen ik dit verhaal hoorde,’ ze haperde wat, ‘stond ik op deze plaats tussen een groepje mensen naar een gids te luisteren. Terwijl hij die woorden uitsprak –La Jamais Contente, die verschrikkelijke, harteloze bijnaam– voelde ik verdriet dat uit de aarde leek te komen en door mijn schoenen naar mijn benen en mijn buik trok.’

Hij liet haar uitleg, die hem op een bekentenis leek, even bezinken.

‘Ligt zij hier dan ook?’ Op het grafmonument stonden verschillende namen, waaronder twee vrouwennamen. Hij las ze hardop.

‘Neen, dat is zijn moeder, en hun dochter, denk ik. Zijn vrouw heette Marie Lamaye, Dame Marie Lamaye. Ik weet niet waar zij ligt. Dat heeft trouwens geen belang.’

Hij negeerde het toenemende ongeduld in haar woorden.

‘Wat heeft dan wel belang?’

‘Het verdriet, het voelen, het toelaten van verdriet in je lichaam, rouwen.’

Het ongeduld ging over in iets zachters, iets milds in haar stem.

‘Vroeger kwam ik hier om monumenten te bestuderen, geschiedenis te leren, beeldhouwers, architecten of stijlen te herkennen. Nu kom ik om te rouwen. Daar zijn begraafplaatsen voor.’

 

Adriaan zweeg en keek de andere kant op. Hij had het nodig om weg te kijken, taferelen te zien, kleuren te registreren, een overzicht over het kerkhof te hebben. Alsof ze te dichtbij was gekomen, gevaarlijk dichtbij. Hij kon niet helder denken en zich zelfs niet afvragen hoe hij in dit bizarre gesprek verzeild was geraakt. Hij wou zich alleen van de omgeving vergewissen, voelen dat hij nog voet aan de grond had.

‘Ik weet niet waarom ik hier kom.’ Terwijl hij dit zei, keerde hij zich opnieuw naar haar. ‘Sinds een paar maanden voel ik vaak een bijna onbedwingbare drang om naar hier te komen.’ Hij zei er niet bij: sinds het met Tania niet meer schijnt te lukken, na elke ruzie met haar die onveranderlijk in bed begint.

‘Maar rouwen... ik zou niet weten waarover ik moet rouwen. Er is niemand dood.’

Ze opende haar mond om iets te zeggen, maar bedacht zich. Dan keek ze hem fronsend aan, alsof ze zich opeens afvroeg wie hij was en waarom ze met hem in een gesprek verwikkeld was geraakt. Ze deed een pas achterwaarts en zei wat gegeneerd:

‘Wel, tot ziens dan maar.’ En omdat hij duidelijk geen aanstalten maakte om weg te gaan, keerde ze zich om en liep ze zelf in de richting van het middenpad.

‘Wacht!’ riep hij, haar bijbenend. ‘Waarover rouwt u dan?’

‘U bent wel erg nieuwsgierig!’ antwoordde ze duidelijk achterdochtig.

‘Nieuwsgierigheid is een teken van een gezonde geest.’ antwoordde hij. En hij realiseerde zich dat zij hem geen enkele vraag had gesteld.

‘Bent u dan niet nieuwsgierig?’ vroeg hij.

‘Vandaag niet,’ klonk het kort.

‘U rouwt.’

‘Ja, en wilt u mij nu met rust laten?’

‘Mag ik dan niet weten waarom u rouwt? Hebt u iemand verloren?’

Ze zweeg maar ze bleef staan.

Dan klonk het, alsof praten haar moeite kostte:

‘Een vriendin.’

‘O... en... waaraan is ze gestorven?’ Voor het eerst aarzelde hij en vroeg hij zich af of hij niet te ver ging.

‘Ze is niet dood. Ze beantwoordt alleen mijn brieven niet meer en ze wil ook over de telefoon niet met mij praten.’ Ze leek over de haag van het kerkhof te kijken. Haar ogen glansden.

Zou ze lesbisch zijn?, vroeg Adriaan zich af. Het beeld van het naakte lichaam met hoed en laarzen kwam terug. Het leek kil. Maar het gezicht... Hij stond nu vlak bij haar. Hij kende haar nu en stuurde het beeld weg. Seks is hier niet op zijn plaats, dacht hij. Tegelijk scheen het hem toe dat het niet over seks ging.

Hij raakte in de war en de enige manier om niet verloren te lopen in zijn eigen gedachten leek hem te praten.

‘Heeft ze daar dan een reden toe?’

‘Ik weet het niet. Ik begrijp er niets van. Ik hou van haar en dat weet ze maar ik voel dat ik haar kwijt ben.’

‘Ach,’ zei hij, ‘ze komt wel terug. Vrouwen zijn zo onvoorspelbaar. De ene keer zeggen ze dit en de andere keer dat...’ Hij stokte op haar boze blik.

‘Ja natuurlijk... wat stom van mij...’ Ze keek nog bozer.

Hij voelde zich hopeloos verstrikt in zijn eigen constructies.

‘Excuseer.’

‘Waar bemoeit u zich eigenlijk mee?’

Ze stapte met gemeten passen het pad af.

Ik moet dit goedmaken, dacht hij.

‘Mevrouw! Eh... het spijt mij. Ik wil niet onbeleefd of opdringerig zijn. Maar...’

Ik voel me op een of andere vreemde manier sterk tot u aangetrokken, wou hij zeggen. Hij slikte het in.

‘Ik bedoel,’ probeerde hij opnieuw, ‘een relatie die stuk gaat, of het nu tussen en man en een vrouw, of een vrouw en een vrouw, of een man en een man gaat, het doet altijd pijn.’ Hij vond van zichzelf dat hij erg ruimdenkend klonk.

‘Het is niet wat u denkt,’ zei ze, ‘Het gaat over mijn vriendin, over vriendschap in de meest gewone betekenis van het woord.’

Vriendschap. Hij proefde het woord als iets van lang geleden. Zijn mond vulde zich met speeksel, maar zijn keel schroefde dicht. Wanneer had hij nog een vriend gehad, of een vriendin, in die zogenaamde meest gewone betekenis van het woord? In zijn borst klom een zwaar gevoel. Wat heb ik toch? vroeg hij zich af. En het antwoord schoof naar voren: droefheid. Het woord spelde zich op zijn netvlies en bleef daar staan.

Ze liep niet langer weg, maar keek hem onderzoekend aan.

‘Wat is er?’ vroeg ze.

Was het dan zo aan hem te zien? En wat was er te zien? Adriaan begreep er hoe langer hoe minder van. Tijd om uit deze droom te stappen, dacht hij en hij probeerde zich te herinneren waar zijn auto stond.

Maar nu was zij het die begon:

‘Ziet u, hiervoor kom ik. Om te voelen. Elke keer rouw ik om iets anders en soms rouw ik bij elk graf om iets anders. Om grote en kleine dingen. Om Syrië of Ethiopië, om mijn moeder of mijn vader, om het kind dat ik te weinig was en het kind dat ik nooit had, om de eerste, de tweede en alle wereldoorlogen, om gemiste kansen en om het onbegrip van minnaars of echtgenoten, om de dood van een oude grootoom en van een bewonderde schrijfster, en om de leegte die ik soms voel.’

Adriaan zweeg omdat er niets meer te zeggen viel. Haar lichaam was dichtbij en straalde warmte uit. Hij had haar in zijn armen willen nemen en tegen zich aan drukken, zijn hoofd op haar schouder willen leggen en zijn ogen sluiten. Maar hij bleef staan. Zijn benen voelden loodzwaar aan. De kou uit de aarde scheen door zijn knieën omhoog in zijn lichaam te kruipen. Hij kon niets anders denken dan droefheid... droefheid... wat een woord.

Haar gezicht... Hij stond zo dicht bij haar, dat hij een minuscule druppel uit haar neus naar haar lip kon zien glijden. Tot zijn verwondering brak er een halve glimlach door.

 

‘En dan,’ zei ze, ‘ga ik naar de uitgang van het kerkhof en met elke stap die ik zet word ik weer vrolijker.’ En alsof ze wou bewijzen dat het zo was, liep ze naar het gietijzeren hek, naar hem omkijkend met ogen die ‘volg mij’ zegden.

Hij liep achter haar aan en kreeg het weer warm. Plots verlangde hij naar Tania.

Niets is verloren, dacht hij. Straks zal ik bloemen kopen. Geen chrysanten, maar roze rozen. Maar eerst... zou deze dame koffie van hem willen? Zou ze zijn vriendschap willen? Ze wachtte hem op. Ze had kleur gekregen. Ze is mooi, dacht hij, mooier dan verwacht. Hij stak zijn hand uit en stelde zich voor.

‘Adriaan.’

‘Marie.' 

 

 

Geschreven door Christine Van den Hove op 31/10/2017 - laatst aangepast op 01/11/2017

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home