Ik opende mijn ogen en de zon brandde hevig. Twaalf was ik, en opa had me meegenomen op een tocht in een muffe, rammelende bus naar een parkeerterrein buiten de stad. Het was zondag, dus was het er doodstil. Nergens viel een mens of wagen te bekennen.

 

‘We brengen veel tijd samen door, maar er komt onvermijdelijk een dag dat je zal zeggen "Met die ouwe zak wil ik niks meer te maken hebben", een dag waarop we afscheid moeten nemen van elkaar. Maar die dag moet er ook zijn,’ had opa me op de bus toevertrouwd. Vol ongeloof had ik hem aangestaard.

 

‘En daarom moeten we elkaar leren missen,' had hij eraan toegevoegd.

 

Uit zijn jaszak diepte opa een krijtje op. Hij bukte zich langzaam en trok met bevende handen een dikke witte streep op het asfalt voor mijn voeten. Even raakte het krijtje de tippen van mijn schoenen. Daarna zette hij een grote stap achteruit en trok een lijn voor zijn voeten. We staarden elkaar aan zonder iets te zeggen. Opa zette nog een stap achteruit en trok een nieuwe lijn. Ik verroerde geen vin en observeerde hoe de afstand tussen onze lijnen alsmaar groter werd en opa alsmaar kleiner. Ten slotte verdween hij in het struikgewas achteraan het parkeerterrein.

Geschreven door Felix Sandon op 01/01/2018 - laatst aangepast op 01/01/2018

  • proza
  • flitsverhaal
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home