De man werd verleid door de geur van de vrouw en daar begon alles mee. Hij nam een stukje van een purper paarse pruim en legde het stukje als een hostie op haar tong. Haar wimpers gingen op en neer met de sierlijkheid van vlindervleugels die wegvlogen in de broze wind van het paradijs. Het was een droom waaruit het paar niet ontwaken kon. Want ze deelden alles samen. De ruimte en de tijd tussen hun lichamen en woorden, die de vrede zou bewaken. Ze struikelden en vielen, in pieken en dalen, en sommige zouden de liefde van hun willen vernietigen. Maar de geur van de vrouw, daar was de liefde en niks sterkers. Ze streelden zijn wimpers en viel daarna onder de pruimenboom in slaap, naast hem. Met een pruimenpit in haar hand. De zon ruilde met de maan van plaats en de pruimenbomen van het paradijs waren één met de duisternis.

Omdat planeten rondgingen.

 

Beeld: Felicien Rops- Leda Moderne

Geschreven door Andrea Derese op 06/02/2018 - laatst aangepast op 24/08/2018

  • poëzie

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home