Mijn naam was Ruben, een zoon van mijn vader.

 

Het kon ons beiden overkomen.

 

Moeder traande als een zwarte Madonna toen vader de haard ontbrandde. Ze zag al wat ze liefhad sterven en verrijzen, iemand had het blijkbaar harder nodig dan haarzelf.

 

Droefenis omsluierde haar gelaat.

 

Toch trof ook haar schuld, ze verzuimde, ik verdronk, werd beschuldigd van ontoerekeningsvatbaarheid. Ze luisterde niet naar woorden, toegegeven, daarin beneed ik haar. Vader luisterde reeds lang niet meer, had het te druk met het ordenen van de agenda van zijn eigen wereld. Hij vertrok.

 

"God weet waar naartoe" was in oorsprong een wanhopige uitdrukking.

 

Mijn naam was Ruben, ik behoorde tot het autismespectrumuniversum, maar er waren wel degelijk avonden dat ik nog naar de sterren keek zonder mijn achterzak te voelen. Ik was wijsgeer geworden omdat ik mijn onzekerheid boven de algemene waarheid verkoos.

 

Soms durfde ik echter mijn ogen niet te openen om te voorkomen dat iemand een vraag opwierp.

 

Soms durfde ik mijn oren niet te sluiten omdat ik niet alles gehoord zou hebben, maar vraagtekens cirkelden als planeten rond mijn brandend verlangen om niet alleen te zijn. Het was namelijk best eenzaam, als heerser van je eigen universum. Sterrenkunde ging me echter te boven.

 

Wat als de zon evenmin wist waar ze was? Wat als niemand zich verwachtte aan haar thuiskomst, laat op de nacht? Daarenboven was er niets langzamer dan lichtsnelheid als je de zon bent. Anders dan voor de meeste astrologen verdraaiden voor mij de sterren niet langer dan een oogopslag aan het prikbord van de bovenwereld.

 

Er kwam een dag waarop ik daarbuiten kon aanschouwen zonder het aanzicht van mijn eigen spiegelbeeld.

 

Toch verviel ik steeds dieper in de kerker van mijn gedachten, wist niet van welk hout nog pijlen te maken, maar tot ik mijn laatste verschoot hield ik de moed erin. Ik nam het dag per dag in dit dit koffieovergoten land, met de zon in een vensterraam.

 

Er dreef een wolkje melk boven de duisternis. Ik verhief mezelf, maar werd moe. Die nacht droomde ik van verlaten stranden, van het wiegen van de zee. Daar was ze dan, aan het prikbord van de bovenwereld verdraaide ze haar lichaam. Ze kon evenmin de slaap vatten, maar leek vertrouwder met het donker.

 

Even wierp ze een blik vanachter de ontbijttafel.

 

Het kon zeker erger. In een oogopslag verliefd. Op een duimspijker van elkaar, roerde ze in mijn koffie. Ik durfde haar een suikerklontje te noemen. Ze werd een klever van mijn hart, een veiligheidsspeld die mijn ballonnenhoofd verzekerde.

 

Ze nagelde me aan de grond hoe ze me kuste, eerst voorzichtig, dan bewust. De opmaak van mijn woorden werd onderstreept met een dringende voorkeur voor dadendrang. Ze had zeker lijstjes waar zelfs deze markante uitspraak niet in fluor werd aangeduid.

 

Toch gebeurde het.

 

Ze hield me in een lettergreep, ze was de draad die door mijn levenswerk liep. Ik kwam door het oog van de naald gekropen, hier was ik dan, haar eindje, aan elkaar geknoopt. Ze zoog er een puntje aan. Het mysterie van de hooiberg ontrafeld. Ik legde haar echter geen strobreed in de weg.

 

Terug naar de sterren, een ballon vol van niemand anders dan zichzelf. Het steeg al snel naar het hoofd, de roes in dit uitgekaterde land. Breng me in vervoering, een denkbeeld ingekleed met de dons van dromen. We kropen onder het wolkendekbed. De zon leek wel een schilderstreek zoals ze daar in fluor werd aangeduid.

 

Je verkrampte onder iedere pennentrek.

 

Er was nog steeds het vensterraam. Konden we onze wereld maar verven, strekte onze fantasie maar tot aan de bovenwereld voor ze een desillusie werd. Waren we maar een kindertekening in de kantlijn van de werkelijkheid. Hoe onze handen elkaar vonden in de zandbak van het verleden, kom naar me toe in een speeltuin achter een bloesemstruik.

 

Daar stroomde de rivier.

 

Er waren nog dromen voor ze hen filterde in een zeef van schuldbewustzijn, zilverscherven waren wij, maar zij gunde haarzelf enkel zelfgemaakte juwelen.

 

Er was een tuintje in haar kamer. Het bladerdek groeide langzaam over haar dicht, ik was het schijnbaar laatste schemertje. Ze werd terug een kluizenaar, ik kroop terug in de kerker van mijn hoofd.

 

Er was een deur, een belletje rinkelde. Ik lag te bed bij een psychiater. Zij was mijn hypnose, ik, haar slaapgebrek.

 

Liefde was niet blind, maar het werd al snel een liedje waarvan je je vanzelf in de tekst herkent.

Geschreven door Robijn Bodijn op 12/02/2018 - laatst aangepast op 13/02/2018

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home