In het glas vooraan zijn bizarre toestel zie ik voor het eerst mijn eigen gezicht.

 

Niet voor het eerst, eigenlijk. De rivier heeft me ook al vaak mezelf laten zien, maar daar beweegt mijn spiegelbeeld steeds in het kolkende of rimpelende oppervlak. Een mozaïek van druppels, zoals de mozaïeken die we in de zomer maken van gekleurd zand en steentjes, voor de regen komt en hen wegspoelt, hen meeneemt als geschenk voor de goden van het water.

 

Nog even. Nog minder van één tel voor hij het knopje van zijn toestel indrukt. Dan zal ik voor altijd een spiegelbeeld hebben, alsof de rivier dichtvriest en het altijd zal blijven vriezen en ik mijn weerspiegeling zou uithakken en thuis aan de wand hangen, voor altijd, tot ik er al lang niet meer zal zijn, zodat ik over zoveel eeuwen achternabemind kan worden –

 

 

nog even.

Geschreven door Felix Sandon op 24/02/2018 - laatst aangepast op 24/02/2018

  • proza
  • flitsverhaal
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home