Het verkeerslicht springt op groen maar ik blijf staan voor jou met je rode trui.

Tussen ons een winkelraam, bloemen die staan te sterven in boeketten,

mensen die zichzelf voorbijlopen aan de snelheid van hun Facebookstream

en dit moment waarop jij aan een lelie ruikt en ik moed opsnuif.

Ik staar je aan en denk: komaan, kijk naar mij. Alleen in je ogen kan ik zien wat ik aan de kant moet zetten: mijn fiets of mijn fantasie. Je blaast een haarlok uit je gezicht die terug op het puntje van je neus landt. Ik vraag me af of je ooit mijn zenuwtrekjes zal kennen.

Komaan, zie mij staan. Kijk verder dan je bezige handen. Ze vertellen je niets nieuws meer. Met je blik naar beneden gericht oog je breekbaar als een paardenbloem in een hondenwei, en toch is er die gezonde blos.

Mocht mijn moeder hier staan, ook al zou ze nooit een groen licht negeren,

ze zou zeggen: “Die vrouw heeft de wangen van een slagersdochter.”

Maar ik weet beter. Je hebt geen wangen roze als beenham.

Het zijn wangen zo rood als de tulpen in je handen.

Geschreven door Antony Samson op 25/02/2018 - laatst aangepast op 20/08/2018

  • text on stage
  • flitsverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home