Oostakker. Godvergeten gat tussen haven en Gent. Twee hoeren werden zwanger zagen de vlucht over het kanaal niet meer zitten, bleven plakken aan de oever en Oostakker werd gebeuren. Onheuse figuren, het geluid van kloppende heipalen die de grond inboren als de pik van een dronken lor die in eender welk gat verdwijnt desnoods dat van zijn eigen zus. Alles stinkt naar gist van de gistfabriek en papier van de papierfabriek, een murwe geur die door alles heen dringt. “Oostakker is een tijdbom”, wordt gefluisterd, “’s nachts passeren hier treinen uit het Ruhrgebied met vuiligheid, als daar ooit een ongeluk mee gebeurt is ’t hier gedaan”.

Midden jaren negentig viel er voor een puber weinig te beleven in dit rovershol. De bende van de Spin terroriseerde de twee parkjes die er waren zodat iedereen daar wegbleef en zij in alle rust een drugsdeal konden sluiten. In het blikje cola van de zoon van De Witte werd olie gegoten zodat zijn slokdarm wegbrandde, dit als een vergelding omdat hij met de politie had gebabbeld. Voor de rest was iedereen Johnny en nam xtc, ging in het weekend naar dancings ‘The Cherry moon’ of ‘The Boccaccio’ en reed op camino’s, op het voetpad.

Niets was er, behalve ‘worst case scenario’ de prachtige debuutplaat van dEUS. ‘Right as rain’ mag de soundtrack van mijn jeugd worden genoemd. De gitaar van Barman die klinkt als een wegrijdende goederentrein. De einder vervulde zich met dromen, waar wij niet konden komen, simpelweg omdat er hier geen andere trein stopte dan die naar het Ruhrgebied.

dEUS dus en twee keer per jaar een kermiskoers voor professionele coureurs. Ook dat bood troost. De kermiskoersen gingen gepaard met –uiteraard- kermis in het dorp. Ik was te oud voor de molentjes en het viskraam. Doch dat kon de pret niet drukken. De woensdag voor de kermis was er koers. Mijn grootvader, mijn vader en ik stonden aan de oprit van ons huis reikhalzend uit te kijken naar de wielrenners die ongeveer vijftien keer zouden passeren. Ieder jaar was er een pleyade aan renners te bewonderen en als het even meezat gingen we op handtekeningenjacht.

Ik herinner me de handtekening van Jelle Nijdam en Sean Kelly. Ik bewaarde ze in een schriftje. Mijn grootvader had verstand van de koers en kon voorspellen wie er zou winnen, mijn grootvader had het bijna altijd mis. Waarom al die renners net naar Oostakker afzakten is mij tot op heden een raadsel. Oostakker heeft bergen noch kasseien. Wel twee bruggen (de lourdesbrug en de brug naar Gent) en een wegel (de mostwegel) maar daar kan je bezwaarlijk een moeilijk parcours van maken.

In 1994 was er in maart de eerste koers van het jaar. Het regende licht (maartse buien, aprilse grillen, u kent dat, de winter is nog niet goed en wel over of hij laat weten bij monde van een kille wind dat hij nog wel eens terugkomt). Mijn grootvader was toch met zijn fiets (een oude oma’s fiets) tot bij ons gereden. Mijn vader had het deelnemersblad bij. The usual suspects reden mee. Toen kwamen we bij de lotto ploeg en hoorde ik voor het eerst zijn naam: Vandenbroucke.

Blijkbaar was hij een groot talent. Iedereen die toen de koers volgde wist dat hij vroeg of laat zou ontploffen en de ene klassieker na de andere winnen. Hij kon immers alles aan. Van Milaan-San Remo tot Luik Bastenaken Luik, hij kon het allemaal zo luidde de prognose van de kenners waaronder mijn opa. En die VDB zou vandaag starten hier in Oostakker.

“Een paar rondjes natuurlijk en hij geeft op”, ik hoor het mijn pa nog zo zeggen. Vlak voor de koers reden de coureurs zich een beetje los op het parcours. Hij passeerde, een kuif en een zonnebril, dat herinner ik mij van die eerste ontmoeting.

“Een paar rondjes en hij geeft op”. De waarheid was lichtjes anders. Voorafgaand had zijn nonkel en ploegleider Jean Luc geëist dat Frank die dag in functie van de ploeg in Oostakker zou starten. VDB zelf had blijkbaar weinig zin, het was een gure dag en hij geloofde meer in een doorgedreven training in de Moeren of in de Vlaamse Ardennen. Maar Jean Luc was onwrikbaar, hij moest en zou starten, hij was een neoprof en moest niet te hoog van de toren blazen. Hij moest koersen en leren en zo een koers was ideaal. Maar VDB was niet overtuigd. In weerwil van zichzelf werd hij opgehaald door zijn nonkel. In de auto was het ijzig stil. Althans dat stel ik mij zo voor. VDB zat zichzelf op te naaien. Het werd steeds gekker in zijn kop. Moest hij naar dat stomme Oostakker, daar word je toch helemaal geen prof voor. Welke eer valt daar te halen, de bloemenmeisjes zijn daar vervangen door dronken krantenboeren. VDB kleedde zich om in de garage van iemand uit de buurt. Dat was toen zoals het ging, renners belden aan een willekeurige deur aan en vroegen of ze een teil water mochten gebruiken en zich in de garage omkleden.

Hij verkende het parcours. Fietste met tegenzin naar de start. En knal: hij startte.

Het was koud, wij stonden te kijken, mijn opa stond te vezelen mijn vader stond te roken ik was aan het dromen van een eigen wielercarrière mijn moeder deed de was en mijn zus luisterde op haar kamer naar the spice girls.

In de eerste ronde reed één renner voor een jagend peloton uit: VDB.

Het waaide.

In de tweede ronde had hij al een halve minuut voorsprong.

Mijn opa paste snel zijn tiercé aan.

In de derde ronde reed hij het peloton op een minuut.

Ik zag een god die neergedaald was op aarde, hier in Oostakker, uitgerekend hier, zo vlak bij Lourdes waar een replica van de echte grot van Lourdes de pretentie heeft een bedevaartsoord te zijn!

In de vierde ronde was er van een peloton geen sprake meer. Eigenlijk had de koers toen geneutraliseerd moeten worden want hij had te veel voorsprong op de rest. Maar niemand durfde dat te doen. Ik denk dat hij won met vijf minuten voorsprong.

Hij was zo kwaad dat hij alles en iedereen op een hoop fietste. Hij kwam zijn bloemen niet halen en zat na de koers boos te mokken in de auto.

Laat u niets anders wijsmaken: de eerste professionele zege van Vandenbroucke was in Oostakker.

Toen werd het later en alles werd anders. Datzelfde jaar ’94 stierf mijn grootvader een paar dagen na zijn verjaardag en op de start van de wereldkampioenschappen voetbal in Amerika. Ik bleef over met mijn pa. Ik kreeg een koersfiets en fietste bij de nieuwelingen. Niet goed, maar toch met goesting.

VDB’s carrière nam een vliegende start. Hij won meer en meer, maar er kwamen roddels en er was misérie met vrouwen met doping met contracten. Het werd ook toen steeds gekker in zijn kop. Uiteindelijk stierf hij. Alleen, in Senegal.

Ik werd geen coureur, er was zelfs een tijd dat ik amper een paar kilometer achter elkaar kon fietsen zonder krampen. Ik bleef geloven in een come back, niet alleen van mezelf maar ook van VDB.

Zelfs nu hoop ik nog op een wederopstanding. Want met een vingerknip denk ik terug aan dat magische jaar: dEUS op de radio en god op de fiets.

Geschreven door Gabriel Rooms op 14/03/2018 - laatst aangepast op 04/04/2018

  • column
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home