een kier laat licht toe,

een schuine bundel waarin stof zweeft.

zij ademt tegen glas. de damp, een vlek die uitdijt en krimpt.

het raam geeft uit op een gevel waarin we een bres slaan.

 

daar is geen kamer dat een gezin bijeen houdt

maar een veld waarover pollen drijven, waarin aren

nieuwe halmen beloven. het stof in de kamer daalt traag

als zeesneeuw. ze keert zich naar mij. bloed in haar lippen


en in de haarvaten van het oogwit. het raam is toe

maar kieren fluiten, de wind is wreed en om de hoek

knarsen de tramsporen als tanden, stramme kaken

het geluid van hard op hard en ik in haar zachte klem.

Geschreven door Wim Vandeleene op 25/03/2018 - laatst aangepast op 25/03/2018

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home