Weinig dingen vond ik zo boeiend als een treinstation. Mensen met allemaal een ander en toch hetzelfde doel haastten zich door de gangen om op tijd de juiste trein te halen of de stad in te trekken. Ze keken niet eens waar ze liepen, botsten tegen elkaar of tegen een paal en raakten geïrriteerd. Als iemand bleef stilstaan om een foto te trekken, werd er vaak aan alle kanten gezucht. Waar ze ook vandaan kwamen, in een treinstation leek iedereen hetzelfde.

Soms schudde ik mijn hoofd of moest ik even lachen. Mijn soortgenoten waren vaak even grappig als raadselachtig.

Ik ging niet mee met die stroom. Gefascineerd bestudeerde ik reizigers die net als ik met een zware koffer sleurden. Slechts een enkeling droeg niet meer dan een handtas of een rugzak en ik telde er drie die helemaal niets bij zich hadden.

Pas toen het weer relatief rustig was op het perron, ging ik met mijn koffer naast me op weg naar de douane. Er stond een lange rij. Andere wachtenden praatten tegen elkaar of tokkelden op een mobiele telefoon. Ik had geen gezelschap. Wel een mobiele telefoon, maar die wilde ik liever sparen. De batterij liep zo al zo snel leeg.

Aan de andere kant van deze laatste controlepost wachtte hij op mij. Ik was ongeduldig en tegelijk mocht het nog lang duren. Alsof de droom die bijna werkelijkheid werd nooit zo mooi zou kunnen zijn als mijn fantasie.

“ID, please.” Ik gaf mijn identiteitskaart aan de controleur en glimlachte naar hem. Zo leek ik niet op de norse persoon op de foto. Het was niet mijn schuld dat ik daarvoor serieus moest kijken, dus dat kon me ook niet schelen. Ik was nu eenmaal vriendelijk. Hij knikte en ik besloot daaruit het in orde was, dus liep ik verder.

Mijn benen trilden een beetje. Even kostte het me moeite om te ademen en kreeg ik het veel te warm. Ik kalmeerde zodra ik hem zag staan.

“Hi, darling.” Hij zoende me op mijn voorhoofd, mijn neus en mijn lippen. “Ik heb je gemist.”

De wereld om me heen verdween volledig. Mijn buik voelde alsof ik ging ontploffen, mijn hersenen stopten spontaan met werken en elke twijfel smolt als sneeuw voor de zon. Hoe kon ik zelfs denken dat dit niet zo mooi zou worden als mijn droom? Het was nu al minstens dubbel zo goed.

Hij rolde mijn koffer achter zich aan en ik legde mijn hand op de zijne. We hadden elkaar niet meer gezien sinds het afscheid op bijna exact dezelfde plaats dertien weken eerder.

“Denk je dat het beter zal gaan?”

In de metro waren twee plaatsen naast elkaar vrij. Zijn stem klonk even zacht en melodieus als altijd en ik hield van het prachtige Londense accent. Bekakt, noemde mijn mama het.

“Daar ben ik zeker van.”

Ik wierp kort een blik op onze medepassagiers. De smartphones waren opnieuw goed vertegenwoordigd, maar ik zag ook kranten, e-readers en zelfs een boek. In ieder geval konden ze ons niet horen, en als ze dat wel konden, zouden ze niet luisteren.

“Ik heb echt mijn best gedaan”, vertrouwde ik hem toe. “De therapie was niet altijd gemakkelijk en soms heel confronterend. Nu ken en begrijp ik mezelf beter.”

Ik pauzeerde even en sloeg mijn ene been over mijn andere. “De wereld om me heen daarentegen zal ik nooit helemaal begrijpen, vrees ik.”

Mijn ogen zochten de zijne en vonden die al snel. Een glimlach leek me passend, dus trok ik mijn gezicht in de goede plooi. Hij knikte. Ik zette mijn been weer op de grond – heel wat comfortabeler – en legde mijn handen op mijn schoot. Drie weken lang had ik amper contact mogen maken met de buitenwereld en het had ons niet uit elkaar gedreven. Als dat niet tussen ons kon komen, zouden we alles overleven. De laatste tien weken had ik hem elke dag gebeld.

Hij legde zijn hand weer op de mijne en streelde mijn been met zijn duim. Ik kreeg er kippenvel van.

“Is het nog ver?”

“Nee. Ben je al vergeten waar mijn appartementje ligt? Je hebt toch een half jaar bij mij gewoond?”

En ik was een vreselijk mens, vulde ik in stilte aan. Die discussie wilde ik niet voeren, dus schudde ik mijn hoofd. “Het is lang geleden en er is veel gebeurd, ik weet het allemaal niet meer zo goed.”

“Drie haltes na deze.”

“Oké.”

Ik verdween weer in mijn gedachten. Vroeg me af of ik sorry moest zeggen voor hoe het de vorige keer was afgelopen, of ik naar de lichte brandwonde op zijn rug moest vragen. Het was echt niet mijn bedoeling geweest om hem pijn te doen. Kon ik het helpen dat de pannenkoek die ik destijds omhoog had gegooid net op hem terechtkwam. Hij vond van wel en ik besloot dat ik nooit meer met pannenkoeken zou gooien, ook niet in een slechte poging om ze op spectaculaire wijze om te draaien. Bovendien wist ik nu dat zulke emotionele uitbarstingen voorgoed verleden tijd waren – ik had geleerd hoe ik ze kon controleren. Schreeuwend weglopen omdat ik per ongeluk iets verkeerd gedaan had, zou me niet meer overkomen.

De man tegenover ons keek op van zijn krant en staarde naar me. Ik staarde terug. Schijnbaar voelde hij zich ongemakkelijk, want hij wiebelde een beetje met zijn hand dicht tegen zijn kruis. Misschien moest hij gewoon naar het toilet. Ik vernauwde mijn blik, klakte met mijn tong en legde mijn hoofd tegen de schouder van de knappe jongeman naast me, terwijl ik naar hetzelfde punt bleef staren.

“Doe maar een beetje voorzichtig”, klonk het zachtjes in mijn oor. “Hij ziet er niet uit alsof je hem kwaad wil maken.”

Volgens mij ziet niemand eruit alsof je hem, of haar, kwaad wil maken. Het was vast een vreemde uitdrukking of iets dat alleen ‘normale’ mensen begrepen, dus ik zei er niets op en wendde mijn blik af.

“Weet je nu eigenlijk waar het aan ligt? Dat je de wereld zo anders ziet, bedoel ik.”

“De dokter wilde het wel vertellen, maar ik zei dat ik dat niet hoefde te weten. Misschien heeft hij het tegen mijn ouders gezegd.”

Ik haalde mijn schouders op. Het lag aan mij, dat was het enige wat telde. Of aan de rest van de wereld, het kon ook hun schuld zijn dat zij de dingen zo anders zagen dan ik. Ik moest stoppen met denken dat alles en iedereen goede bedoelingen had, vertelden ze mij altijd. Dat was gevaarlijk, of zoiets. Mensen konden daar misbruik van maken.

Intussen bereikten we de juiste halte. We wurmden ons door de massa naar buiten en wandelden aan een stevig tempo naar zijn appartement.

“Ik ben het probleem, al de rest doet er toch niet toe.”

“Nee, jij bent niet het probleem. De rotte appels, die zijn het probleem.”

Ik knikte opgelucht en besefte dat hij gelijk had. Toch leek het zo vaak alsof alles aan mij lag. Ik moest weten dat mijn eerste lief een idioot was die niet het beste met me voorhad, dat het tweede nog erger was en dat het derde zes relaties tegelijk had. Ik mocht niet zomaar denken dat ze het echt beter wilden doen na een ruzie of dat ze zouden veranderen. Ik moest maar niet zo naïef zijn. Die zin had ik inmiddels zo vaak gehoord dat hij alleen nog hol klonk. Woorden die samen niets meer betekenden, maar die me zo vaak gekwetst hadden.

Een golf van warmte overspoelde me zodra ik de deur opensloeg. Hier hoorde ik thuis. Niet in een opvangcentrum dat me moest helpen om mensen minder te vertrouwen, of ‘veilig’ bij mijn ouders. Niet in een studentenkamer waar ik zeker niets verkeerd kon doen. Gewoon hier, in een grote stad bij de liefste jongen van de wereld. Bij iemand die ik echt kon vertrouwen en voor wie ik mezelf niet moest verstoppen – alleen een beetje inhouden. Dat zou me lukken.

Geschreven door Marthe op 16/05/2018 - laatst aangepast op 16/05/2018

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home