Ik heb een man leren kennen. Iedere ochtend brengt hij zijn dochter naar school. Een melkchocolade meisje met donkere ogen en dreadlocks met kleurige kralen doorheen geweven. Ze wandelen hand in hand met rustige tred richting schoolpoort. Daar knielt hij neer tot zijn lichtjes glimmende, kale hoofd laag genoeg is om het meisje een kus op haar voorhoofd te geven. Zij geeft hem een knuffel, hij aait over haar kralen en krullen en wandelt met dezelfde, rustige tred weer weg. Iedere ochtend, stipt om kwart over acht, hetzelfde tafereel.

Soms ben ik er niet om kwart over acht. Dan heeft Ada weer een schriftje ergens verkeerd gelegd, duurt het ellendig lang voor ze weet wat ze op haar boterham wil om vervolgens toch weer te kiezen voor kruidenkaas en kippenwit, of heeft haar jasje niet de juiste kleur. “Zo kan ik toch niet naar buiten!” Hoe doen andere ouders dat, om iedere ochtend stipt om kwart over acht aan de schoolpoort te staan?

Vaak moeten we rennen omdat we om de hoek al de schoolbel horen. Heel soms hebben we alle tijd, en kunnen we rustig pratend de wandeling naar school maken. Een lang afscheid voor de schoolpoort zit er niet meer in, daar voelt ze zich ondertussen ietsje te groot voor. Ik haast me uit de voeten, en als het nog geen kwart over acht is, ga ik op het bankje in het park schuin tegenover de school even wachten, om te kijken hoe de rijzige zwarte man rustig komt aangewandeld, zijn dochter kust en weer weg wandelt in de richting waar ze vandaan kwamen. Ik voel me een voyeur, maar niet schuldig. Ik word zelf ook rustig van het tafereel.

Op een ochtend komt de man naast mij zitten op het bankje, op veilige afstand. Ik voel me betrapt. Maar hij laat niets merken. Hij draagt dezelfde hoodie als altijd, een zwarte met opschrift Amsterdam en daaronder het bekende wapenschild van de stad met de drie kruisjes en de slogan heldhaftig-vastberaden-barmhartig, het soort trui dat je kan vinden in de schreeuwerige souvenirwinkels op het Damrak. Daaronder een afgesleten blauwe spijkerbroek en sneakers die duidelijk een stukje van de wereld hebben gezien.

De man slaat zijn benen over elkaar, leunt achterover en haalt een pakje sigaretten uit de kangoeroebuidel van zijn trui. Een of ander onbestemd merk, uit de Aldi of een andere goedkope supermarkt, gok ik. De man buigt lichtjes mijn richting uit en biedt me met een knikje een sigaret aan. Ik ben al enkele jaren gestopt met roken maar zonder na te denken knik ik terug en neem de sigaret aan. Ik lach het lachje waarvan vriendinnen zeggen dat het me er een beetje dom doet uitzien. Lief, dat wel, maar dom. Het lachje wordt nog eens herhaald als de man mij een vuurtje aanbiedt, en ik me voorover moet buigen om met mijn sigaret bij de vlam te komen. Met mijn hand bescherm ik het vuur tegen het zachte lentebriesje en raak ik even zijn hand aan. Die voelt als schuurpapier met een fijne korrel. Ik trek mijn hand snel terug, wil niet dat de man zich ongemakkelijk gaat voelen. Of dat ik als te vrijpostig word gezien, wie weet wat deze man al allemaal te horen heeft gekregen over Nederland en zijn feministes. Ik inhaleer voorzichtig en moet toch even kuchen. De man glimlacht. Kucht ook even. Ik zoek naar woorden maar zeg niks. De man rookt genietend, alsof zijn allerlaatste wens net in vervulling is gegaan. Als zijn sigaret is opgerookt, knikt hij even en wandelt weg. Ik knik terug, probeer niet te dom te lachen, doof mijn sigaret en beslis nog even van de vroege zon te genieten voor ik terug naar huis wandel.

 

Ik ben het gewoon om aangesproken te worden door vreemde mannen. Doorgaans begint hun zin met “ben jij niet… “ en dan weet ik al wat er volgt: dat grietje dat ooit meespeelde in een populaire soap en vervolgens trouwde met en snel weer scheidde van de grootste eikel van het land en nu halsstarrig haar best doet om serieus te worden genomen door het meer belezen deel van de natie, al zijn de meesten zo beleefd om dat laatste deel achterwege te laten. En dan knik ik en zet ik dat domme lachje op, want mensen zien hun vooroordelen niet graag weersproken. Ik lach om hun grapjes, ook als ze niet leuk zijn, probeer het aantal opmerkingen te beperken. In het begin probeer ik me te concentreren op mooi en stil te wezen, de rest kan later nog altijd. Indien. Als.

Met deze man is het anders. Ik voel dat ik het initiatief moet nemen. Dat hij wacht tot ik iets zeg. Maar wat zeg je ook alweer tegen iemand die je niet kent? Waarom worden daar nooit eens zelfhulpboeken over geschreven?

“Lekker weertje, hé”, zeg ik, enkele dagen later als de man weer op veilige afstand van mij op het bankje komt zitten. Ik heb er dagen over kunnen nadenken, en dan is dit waar ik mee op de proppen kom! Ik word bijna rood van verlegenheid om zoveel domheid. Maar anderzijds: het is zo vroeg op de ochtend ook al gewoon mooi weer, en hoeveel kinderen zouden er niet zijn voortgekomen uit stomende romances die zijn begonnen met een banale opmerking over de klimatologische omstandigheden?

“Ja, lekker weer”, zegt de man, met rustige stem en een accent dat ik moeilijk kan thuisbrengen, al doet het vermoeden dat hij nog niet lang Nederlands spreekt. Ik zou willen dat hij doorgaat, dat hij vertelt dat waar hij vandaan komt het alle dagen zonnig is, dat de zon er de aarde en de huiden verschroeit, in het land dat hij moest ontvluchten wegens honger of oorlog of allebei, maar hij gaat tevreden achteroverleunen terwijl hij een sliert rook uitademt. Hij sluit zijn ogen en murmelt iets wat klinkt als “lekker weer” maar helemaal zeker ben ik niet. Ik weet niet of het beleefd is om vragen te stellen aan een man die net zijn ogen heeft gesloten. Of de man daar überhaupt zin in heeft. Maar dat kan misschien later nog. Indien. Als.

Zo gaat het sinds een week of twee bijna iedere ochtend. Ik maak Ada vroeg genoeg wakker om zeker te zijn van de ontmoeting met de man. We spreken haast niet. We knikken, zitten en roken. Ik lach mijn verleidelijkste lach, ik schuif wat dichter bij, ik zeg wel eens dingen als “dat was een heftig onweer  gisteravond” of “leuk meisje, jouw dochter?”, en dan zegt de man “ja, heftig onweer” of “ja, dochter” en leunt weer achterover om van zijn sigaret te genieten. Ik heb geen idee waar hij vandaan komt of wat hij de rest van de dag doet. Ik heb geen idee of hij meer wil dan gewoon op een bankje zitten en roken. En ik heb geen idee wat ik wil, ik weet alleen dat ik op een rustige manier vrolijk word van deze man. Of op een vrolijke manier rustig. Als ik ‘s ochtends zeven minuten kan doorbrengen op mijn bankje, de tijd van een slechte sigaret, dan weet ik dat de rest van de dag ook goed zal verlopen.

Ik heb mijn man niet verteld dat ik een man heb leren kennen. Hij vraagt ook niet waarom ik tegenwoordig langer wegblijf als ik Ada naar school breng. Soms denk ik, straks ruikt hij de geur van goedkope sigaretten en dan moet ik een smoes klaar hebben, maar zo attent is hij al lang niet meer, en de Wilhelmina pepermunt verdoezelt veel. Ik mag blij zijn als ik een hallo terugkrijg als ik ons huis binnenstap. De iPad is op dat moment interessanter, maar ik maal er al lang niet meer om. Zelf ben ik dezer dagen ook niet de meest attente vrouw die een man zich kan wensen. Ik vind de zeven minuten bank iedere ochtend soms spannender dan het echtelijke bed.

“Ik heb vrouw nodig”, zegt de man op een ochtend na het eerste trekje. Ik schrik en lach mijn lachje. Ik stamel een “waarom?”. Ik krijg een vragende, haast smekende blik als antwoord. Ik kan me voorstellen wat een man alleen met een prepuberende dochter moet denken. Hoe moet dat straks, met de eerste maandstonden en het eerste behaatje en, godverdomme, een eerste vriendje. Ik schiet zelf al in de stress als ik denk dat een of andere puistenkop straks zijn zinnen heeft gezet op dat heerlijke warhoofdje van me. Ik weet wat foute vriendjes met naïeve meisjes kunnen doen, geloof me. Ik krijg geen duidelijk antwoord van de man. Ik hoor hem nog iets stamelen, maar de man spreekt toch vooral tegen zichzelf. Hij kijkt me nog eens vragend aan maar zegt niets. Ik kijk vragend terug en zeg niets. Ik probeer nog eens mijn liefste lachje en krijg een frons terug.

De volgende ochtenden is hij er niet. Ik blijf eenzaam op mijn bankje achter, zonder man, zonder sigaret. Zonder zijn de ochtenden niet hetzelfde. Ik begin me zorgen te maken. Maar hoe vertel je aan je man dat je je zorgen maakt om een man waarmee je enkele ochtenden een sigaret hebt zitten roken en zitten zwijgen op een bankje tot hij plots zei “ik heb vrouw nodig” en verdween, zonder over te komen als een hysterisch wicht. Ook hier schieten de zelfhulpboeken weer grandioos tekort.

Misschien weet Ada raad. Misschien weet zij wel wie het meisje met de dreadlocks en de kralen was, heeft zij iets opgevangen op het schoolplein. Ik moet het zo nonchalant mogen proberen te brengen, want met de leeftijd en de lengte is ook haar achterdocht toegenomen. Dat heeft ze uiteraard van haar vader, al die jaren in de journalistiek hebben zijn cynisme alleen maar aangewakkerd. Mijn God, ik hoop maar dat ze uiteindelijk niet al te veel op hem gaat lijken, al zijn de kansen natuurlijk fiftyfifty. Wat dacht ik toch, toen ik op die cocktailparty dertien jaar geleden zo nodig over het weer moest beginnen tegen de poenigste hoofdredacteur van het land.

“Oh, Yejide”, zegt Ada, als ik haar tijdens de wandeling naar school zo terloops mogelijk vraag wat er is gebeurd met het Afrikaanse meisje dat we ooit wel eens aan de schoolpoort zagen. “Die is al een paar dagen niet meer gekomen”, zegt ze op een toon waaruit niet blijkt dat ze het erg of spannend vindt. Ik zeg niets en verlang naar een sigaret.

 

Geschreven door Dirk Vandenberghe op 22/06/2018 - laatst aangepast op 22/06/2018

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home