Zacht als een beer en even eenzaam vulde hij mijn hele bed met melancholie.

 

"Het spijt me zo," fluisterde ik, maar hij begreep het wel. Hij begreep alles behalve zichzelf.

 

Later die avond wandelden we naar het station, van het hoogste punt van de stad naar beneden. Op een donker perron namen we afscheid. Terwijl ik de trein uitwuifde, riep ik hem na:

 

Wij zijn nachtmensen. Wij worden verliefd onder sterrenhemels en vertellen elkaar verhalen tot de zon opkomt.

 

Op weg naar huis vond ik de kat: zacht, zwart en verloren. Ik nam haar mee, gaf haar een naam, trok in de badkamer een blikje tonijn open.

 

Die nacht sprong ze bij mij in bed en nestelde zich in mijn armen, waar veel te veel plaats was.

 

 

 

 

Geschreven door Kathleen op 20/07/2018 - laatst aangepast op 25/07/2018

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home