De man met de rode jas staat al een halfuur aan het loket aan te schuiven voor hij aan de beurt is. Gelukkig gaat het goed vooruit. Onderaan het bordje ‘ Dienst Bevolking’ is inderhaast een papier met plakband vastgekleefd waarop te lezen staat: ‘Elegancy Plan 70+’.
‘Volgende.’
‘Morgen. Een dubbele aanvraag graag.’
‘Moeder én vader?’
‘Inderdaad.’
‘Vanaf wanneer hebben zij hun wens te kennen gegeven meneer?’
De man denkt even na. De ambtenaar achter het loket kijkt hem aan en duwt zijn bril op zijn neusrug omhoog.
‘Hoe lang is de vraag al actueel bedoel ik’ voegt hij er verduidelijkend aan toe, waarna hij zorgvuldig de datum noteert. Tussen haakjes vult hij in hoe lang de vraag al tussen hemel en aarde hangt: 7 maanden. Ook dat valt binnen de redelijke termijn.
‘En beiden hebben u  herhaaldelijk te kennen gegeven dat zij hun leven wel degelijk als voltooid beschouwen?’
‘Jazeker, ik heb hier een schriftelijke…’
‘Niet nodig hoor meneer, we geloven de mensen wel. Het wordt ze al lastig genoeg gemaakt met al die procedures. De laatste wetswijziging is een echte verbetering gebleken, de kinderen worden nu erkend in hun poging om redelijkheid in die oude hoofdjes binnen te brengen wanneer die maar al te vaak vast blijven houden aan voorbijgestreefde ideeën. Vanaf een bepaalde leeftijd ben je gewoonweg hulpbehoevend, ook in het maken van sommige keuzes.’
‘Ja, die vereenvoudiging heeft het gelukkig voor iedereen wat toegankelijker gemaakt’  zegt de man.
‘Uiteraard. Het is veel laagdrempeliger geworden meneer, voor alle lagen van de bevolking,  zoals de wet hoort te zijn : duidelijk en transparant voor elke burger’ zegt hij opgetogen.
‘Ik heb een attest bij van de huisarts, men raadde ons…’
‘Geeft u maar.’ Zonder het document te bekijken schuift hij het tussen het doorzichtige mapje naast hem. Hij vinkt het begin van een paragraaf af.
‘We gaan ervan uit dat na jaren huisbezoek de huisarts zich loyaal opstelt ten overstaan van zijn patiënten. De eerstelijnszorg bestaat bij gratie uit deze attitude meneer, ze is er de basis van.’
De man in rode vest knikt.
‘Hoe oud zijn uw ouders meneer?’
‘Mijn moeder vierenzeventig, vader is drie jaar ouder.’
Samen uit, samen thuis hé?’  grinnikt de ambtenaar. ‘Hoe romantisch vind ik dat altijd toch.’ Zijn gezicht verandert plots en valt uitdrukkingsloos even stil, maar herstelt zich vrijwel onmiddellijk.

‘Vanaf vijfentachtig  is er de basispremie, die elk aflopend jaar al snel de hoogte in gaat. Uw moeder valt in een lagere categorie.’
‘Mijn vader bedoelt u?’
‘Nee meneer, het is verbazend hoe veel mensen dat denken, maar hoe jonger de kandidaat, hoe hoger de premie. Iemand die niets meer in te brengen heeft, economisch op de rug van de samenleving renteniert, en waar de staat nog pakweg twintig jaar moet voor zorgen in plaats van tien, dat  valt heel wat duurder uit. Die zienswijze klinkt logisch uiteraard, de federale overheid heeft dat knap gezien.’
Instemmend geknik aan de andere zijde van de balie.
‘Ik ben ook verheugd  u te mee te kunnen delen dat samenverlaters een extra premie bovenop de voor ieder apart geldende regeling krijgen, enfin, de nabestaanden bedoel ik dan. Als alles samen door kan gaan, de drukker, de dienst, de koffietafel, wettelijke afhandeling en notariskosten, noem maar op, dat drukt de prijs enorm, dat begrijpt u vast wel.’
‘Dat wist ik niet, maar nu u het zo zegt…’
‘Uiteraard. De nieuw aangenomen wet stipuleert dat...euh..waar staat het hier…ja, hierzo, en de man wijst de paragraaf met zijn balpen onderaan het document aan: “ het Koninklijk Besluit van 12 januari kent een premie toe aan nabestaanden die kandidaat-voltooiden ervan kunnen overtuigen hun verantwoordelijkheid ten aanzien van maatschappij en significante naasten op te nemen.” ‘Bovendien, ziet u’ zegt de ambtenaar, ‘en dat wou ik toch nog maar eens herhalen, is er die bijkomende premie voor diegene die samen wensen te gaan. Hoe schoon is dat toch, na al die jaren? Geen verdriet voor de partner die anders achterblijft. In goede en kwade dagen! Goede zorg noem ik dat.’
‘Gemakkelijk is het toch allemaal niet’ werpt de man in rode jas tegen.
‘Natuurlijk niet meneer, dat beseffen we maar al te goed, we zijn ook geen onmensen, u heeft het beste met hen voor. Uiteraard is dat zo.’ Hij kijkt bijzonder begripvol naar de man die voor hem staat.
‘Maar eigenlijk, als je er goed over nadenkt’ gaat hij verder, ‘moeten zij u dankbaar zijn dat u dit in alle wijsheid bespreekbaar maakt. U behoedt ze immers voor verdere aftakeling, voor onnodige ontluistering. Alle ongewenste zaken snijdt u gewoon de pas af, ziet u, en onze welvaartsmaatschappij kan op die manier terug op adem komen, de sociale zekerheid staat niet langer onder ondraaglijke druk. En, ook niet onbelangrijk, er is terug plaats in de rusthuizen, weliswaar voor diegene die willen volharden in koppigheid.
‘Zij die nog even willen blijven bedoelt u?’
‘Ja, zij die zeggen dat ze er nog niet klaar voor zijn, en, stel je voor, die zeggen dat ze nog van alles te doen hebben! Terwijl ze daar al die jaren de tijd hebben voor gehad! Maar geen nood, verwacht wordt dat er binnen een maand of drie een wetsontwerp wordt goedgekeurd dat onverstandigen voor alle kosten zal responsabiliseren. Zoals het al lang -en terecht ook - is ingeburgerd dat de vervuiler betaald, zo zal in deze particuliere gevallen de halsstarrige langlever ook dieper in de beugel moeten tasten. Maar ook voor dit zal een grenswaarde  worden gehanteerd. Tussen haakjes, het is knap om zien hoe uitgekiend de integraalberekeningen voor de leeftijdsvariabelen en inputparameters in elkaar steekt, het zit echt goed ineen, dat moet ik ze nageven. Zo zal bijvoorbeeld boven een bepaalde leeftijd een pacemaker gewoonweg niet meer verkrijgbaar zijn, of draait men de peperdure nierdialyse terug van drie naar eenmaal per week. Allemaal te verdedigen uitdoofscenario’s uiteraard, vindt u ook niet?’
De man in rode jas knikt opnieuw en durft niet te zeggen wat hij denkt: een vervaldatum. Dat zou te scherp zijn. Na een korte stilte stelt de ambtenaar, geheel tegen het werktuiglijke van het gesprek in, een persoonlijke vraag.
‘En hoe kijken uw ouders er zelf tegenaan meneer, hoe gaat het nu met hen?’ klinkt het onverwacht bezorgd.
‘Ja, goed hoor, dank u, gezien de omstandigheden toch. Een beginnende suikerziekte en een kleine beroerte hebben het gesprek wat in goede plooien doen vallen. Dankzij zou ik bijna zeggen. Er was wel wat overredingswerk voor nodig maar uiteindelijk zijn ze tot inzicht gekomen en willen zij het beste voor hun kinderen. En natuurlijk willen ze niet lijden, dat speelt ook wel mee, dat haalt een zinnig mens altijd wel over de streep denk ik altijd. We zijn hen heel dankbaar. We houden allemaal heel erg van onze ouders, weet u.’
‘Daar twijfel ik niet aan meneer’ zegt de ambtenaar begrijpend. ‘Uiteraard.’
Hij schuift zijn bril hoger zijn neus op en lijkt het gesprek te gaan afsluiten. Hij steekt een paar documenten in het mapje en murmelt in zichzelf. ‘Hmm…heb ik hier alles? Dit is in orde…dit ook…heb ik gezegd…’ De punt van zijn balpen gaat langzaam van boven naar beneden over het blad.
‘O ja. Dit moest ik u nog vertellen.’
Hij graait in een stapeltje folders en overhandigt de man een fraaie kleurenbrochure met vooraan een melige foto van een gefotoshopte zonsondergang.
‘De overheid is een samenwerkingsverband aangegaan met de voornaamste uitvaartcentra waarvoor uw ouders – excuseer, u zelf– als nabestaande een tegemoetkoming kunt ontvangen, tenminste als u aan drie van de vijf criteria voldoet. U moet het maar eens lezen.’
De man in rode jas bekijkt de voorzijde waar in aantrekkelijke sierlijke letters staat  geschreven: ‘ExitPlus+’, met als ondertitel ‘Kies Zelf Uw Horizon.’
‘Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat er ook andere  crematoria en begrafenisondernemers zijn die een gelijkaardige  variant van deze regeling aanbieden, niet alleen in Vlaanderen maar ook in Nederland. In Zeeland bijvoorbeeld, toch kortbij, heb je ‘Klaar is Kees’ waar je kan op intekenen, ook geen onaardige polis. Maar ik wil benadrukken dat geen enkele andere zo’n gesubsidieerd en substantieel belastingvoordeel heeft en om die reden dus de voordeligste is. Maar u maakt uiteraard in alle vrijheid een keuze meneer, wij bieden het u enkel maar aan.’
‘Mooi. Ik bekijk het eens rustig.’ zegt de man.
‘Zo, ik denk dat we alles hebben gehad meneer. Binnen tien werkdagen ontvangt u alle documenten, ik mag hopen dat ik uw gegevens toch heb genoteerd...ja, hier heb ik ze. Zoals ik al zei, binnen tien werkdagen dus. Prettige dag verder, en innige deelneming voor de dag zelf.’
‘Dank u. Heel vriendelijk van u.’
‘Tot uw dienst.’
De rij achter hem is ondertussen even lang geworden als die bij zijn aankomst was geweest. Hij draait zich om en knikt eens beleefd naar de vrouw die achter hem in de rij staat. Hij is op weg naar de uitgang wanneer een jonge medewerker hem een tevredenheidsenquête onder de neus duwt.
‘Het duurt maar even meneer. Het is belangrijk te weten of we het goed doen. Zijn altijd bereid te leren uit onze fouten.’
Verveeld vult hij vlug op alle plaatsen een vier op vijf in, en ziet woorden voorbijdrijven als ‘voldoende ingelicht’ en ‘wat vond u van..’  Hij geeft het document met een flauwe glimlach terug.
‘De dienst bevolking en binnenlandse zaken bedankt u voor uw medewerking.’ klinkt het vanbuiten gestudeerd.
Hij loopt door de draaideur naar buiten, de nog frisse en heldere morgen tegemoet. Hij is blij in de open lucht te zijn, ademt opgelucht diep in en uit en overziet de bedrijvigheid op het marktplein voor hem. Alles is geregeld. Geen zorgen meer, het valt van de schouders. Hij is ervan overtuigd dat hij samen met zijn ouders de goede beslissingen heeft genomen.
Uiteraard.

Geschreven door Lode Van Wabeke op 30/08/2018 - laatst aangepast op 30/08/2018

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home