Je aders buiten oevers getreden,
daar in je hoofd.
Het overstroomde alles wat jou was.
Je raakte onteigend van jezelf.

Eerst nog beheerst achter onschuldig knipperende ogen,
dan rimpeloos een vlakte van het niet meer zijn.
Gesloten.
Dat is ook wat ons nu doet zwijgen.

 

‘Ik heb zo hoofdpijn’ zei je nog.
Wie denkt daar dan aan.
Onzienlijk vlug ging het,
voor we goed en wel wisten. 

Geen laatste halm, geen sprake van,
zelfs geen schamel
protesterende stem.
Het bewind van de dood was daar.

 

Even blijven nog aan dat eenzaam bed.
Rondom rond
geliefden, gefluister, oogopslag.
Handen die trillend naar je grepen.
Naar vingers, schouder,
aan een verbonden arm durfden we niet.

Een piëta van tranen.
Het niet af willen geven.
Er is geen antidotum
voor wat jou naar de aarde bracht.

 

Het kuuroord hoop wacht.

 

 

 

Geschreven door Lode Van Wabeke op 29/09/2018 - laatst aangepast op 01/10/2018

  • poëzie

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home