Mijn hart doet het al jaren
slag om slag niet best.
De borstkas stottert, weet geen blijf,
voert hoogoplopende discussies met zichzelf.

 

Daarbinnen.

 

Ik ben veroordeeld er bij te zijn.
Kan de klankkast niet vluchten,
wegdenken, omleiden.

Het begint met touwgetrek aan kamers, geharrewar
tussen anders zachte boezems.
Consternatie, volksopstoot,
een vuistslag in het gezicht.

Zo voelt het als je vraagt hoe mijn hart voelt.
Als ik het krijg.

 

Hoe nog vraag je.

 

Ook wel als de deining van een stamper in een karnton zeg ik.
Of muiterij van een roeispaan die
het water niet meer raakt,
moedwillig uit de pas gaat en de stroomlijn verlaat.

Of geluid van deeg dat om te kneden
te pletter wordt gegooid,
een zware dreunende bastoon die
centraal start en de grenzen van mijn huid bereikt.

Daar lijkt het allemaal op als je het mij vraagt.

Pacemakercellen, die kleine sidderaaltjes
in anarchie genesteld, een opstandige enclave ergens weet ik waar,
laten mij niet weten wanneer,

ze verwittigen ook nooit.

 

Houden geen rekening.

Ze zijn harteloos.

 

Kijk, terwijl ik hier zit te schrijven,
zijn er alweer relletjes nu,

oproer bij valavond,
de vierde keer al deze week.
Kat en muis met de ordediensten.

 

Hopelijk keert voor ik ga slapen
dankzij dat rode pilletje
de rust in mijn straten terug.

 

 

 

Geschreven door Lode Van Wabeke op 29/09/2018 - laatst aangepast op 12/10/2018

  • poëzie

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home