Hij schrijft haar wakker. Na dagen slapen aan de oevers van de rivier Lethe, waar ze langzaam alles wou vergeten, ontwaakt ze uit de roes. Hij likt haar wonden, zelfs al is het enige wat ze hebben de woorden die zich op het scherm vormen. Maar het is onmiskenbaar troost, en ze klampt zich vast aan de strohalm die hij haar aanreikt.

 

Net voor het slapengaan stuurt hij nog een onverwacht bericht. Titel: nazomerzindering. Zacht nieuwsgierig opent ze de e-mail. Hij fluistert haar drie fantasieën toe, tot in het intieme detail beschreven. Ze voelt een lichte blos en opnieuw een beetje lente in haar lijf. Ze nestelt zich dieper onder het laken.

 

Zijn woorden hebben een heuse beeldenstroom in haar opgewekt. Ergens is ze dankbaar dat het verhaal dat zich nu aan het vormen is niet verloren ging in haar vergetelheid. Haar ogen vallen dicht en op een vingerknip bevindt ze zich onmiskenbaar in Brussel. Ze herkent de trap van het Centraal Station. Ze meandert mee op de mensenmassa die zich een weg baant naar de vele omliggende kantoren. De massa kan haar niet deren. In haar blik heeft ze slechts één persoon vast, de man met lange haren die over de mensen heen tuurt, zichtbaar op zoek naar iets of iemand.

 

Haar blik vangt zijn zoekende ernst. Herkenning. Een zachte blos, zijn knetterende glimlach. Het is altijd weer zoeken naar elkaars ritme, hun ritme. Ze ademen wolken op die ijskoude januaridag. Haar voetstappen tinkelen koket over de kasseien. Hij voelt haar ongeduld. Ze neemt hem mee aan een binnenpleintje dat ze ontdekt tijdens één van haar middagwandelingen in Brussel, verscholen achter de Sint- Gorikshallen (en nu, ongeveer 13 jaar later, jammer genoeg niet meer toegankelijk) 

 

Beiden weten ze hoe onzinnig dit is. Nee, het is waanzin. Zij en hij, helemaal verstrikt in elkaar, op zo’n manier waarbij enkel een korte en bruuske knip hen uit elkaar kan halen. Beiden vrezen ze dit moment waarop afscheid hun tijdelijk en steeds gestolen eenheid doorklieven zal. Ze voelt de bitterheid hiervan in elke ontmoeting. Daarom denkt ze dat hij haar zo diep treft, en alles zoveel intenser voelt en proeft. Zijn lippen, zijn vingertoppen die ze kust (en die steeds weer smaken naar een mengeling van Oosterse kruiden, alsof hij net de lekkerste gerechten voor haar klaarmaakte).

 

Ze komen aan de rand van het beekje dat rustig over en onder het pleintje stroomt. Ze leunt uitdagend tegen het muurtje. Hij zet haar klem. Ze voelt zijn hele lichaam tegen het hare. Hun winterjassen en andere laagjes kledij kunnen de warme genegenheid niet tegenhouden. Als ze haar ogen sluit, dan is ze op een vreemde manier weer even thuis. Dan lijkt alles, voor een flard van een seconde, te kloppen. Ze weet dat het absurd is om hem te vertellen dat ze hem nu eenmaal in alle rauwheid graag ziet. En terwijl hij haar over haar rug streelt, voelt ze hoe ze iets in haar borst knapt en ten onder gaat.

 

Ze wrikt zich los uit zijn armen en draait zich om. In de beek zwemmen enkele prachtige vlammend oranjewitte koi’s. De vissen glijden met hun soepele lijfje doorheen het water en lichten op als reddingsboeien wanneer de winterzon even door de nevel breekt. Ondertussen duwt hij zich opnieuw tegen haar aan. Zijn adem streelt haar hals en zacht zet hij enkele zoenen op de frêle huid. Ergens moet hij gevoeld hebben dat de wanhoop z’n grip op haar verstevigde. Hij houdt haar strakker vast, om haar niet te laten ontsnappen.

 

Dit moment is alles wat ze hebben, en dat is bitter weinig. Haar gedachten blijven nog even hangen bij de scene. En dan overvalt het denken haar. Hoe lang moeten ze elkaar al kennen? Op z’n minst 13 jaar. Ze glimlacht. Dertien vindt ze een perfect getal. Een andere herinnering trekt nu haar aandacht. Een andere man die haar gedachten soms beheerst. Iemand die ook onlosmakelijk met Brussel verbonden blijft. Maar ze wuift hem al snel weer weg.

 

Golven. Dat is hij. Haar eeuwige schaduwkant. Golvend haar waar ze nooit af kan blijven. Hoe heerlijk om het te strelen of vast te grijpen wanneer ze zichzelf verliezen in elkaar. Golven die af en aan rollen op het strand waarlangs zij hem ooit volgde. Ze zijn elkaars zee, die elkaars golven en gedachten op het zand duwen. Het alledaagse zand. De mooiste verhalen zijn meestal de ongrijpbaarste, bedenkt ze.

 

Haar vermoeide lichaam draait zich in allerlei bochten tot wanneer ze op haar linkerzijde zacht in slaap valt. Ergens voelt ze opnieuw dat warme lijf in een koude winterjas. Er trekt een korte rilling door haar. Dit verhaal. Dat moment. Dat het nooit in de vergetelheid verdwijnt, belooft ze zichzelf.

Geschreven door Jolien op 11/10/2018 - laatst aangepast op 11/10/2018

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home