“Ne kus van de facteur en een bank vooruit”

Terug naar het overzicht

Het was in de herfst van vorig kalenderjaar dat An Apers, de postbode van het Oost-Vlaamse Donkermeer, werd ingewisseld voor een jongere en mannelijke collega. Zij kreeg een autoronde in Hoogmeerbeek, hij mocht haar fietstocht door het dorp op zich nemen. Het ging om een routinewissel die amper ophef kon uitlokken, dacht men op het hoofdkantoor in Meergem-Waas. Maar dat was buiten de Donkermerenaren gerekend, die al voor minder politieke brandjes hadden gesticht. Reden voor het ophef deze keer was niet zozeer de nieuwe brievenbezorger – Patrick V. was een goedlachse dertiger met een sterk fysiek gestel en goede bedoelingen - maar wel het feit dat de man hen door het kantoor in Meergem was toegewezen. “Die hoge pieten daar in Meergem peizen weer da ze ‘t hier ammel voor ‘t zeggen hebben” klonk het in de deelgemeente die zich in de volksmond van de bijstelling ‘Op zijn eigen’ bediende. Een petitie werd opgesteld en uitgehangen bij ‘Den Biechtstoel’, het café dat zijn naam deelde met het daartegenover liggende kerkelijke instituut. Het was daar, tussen pot en pint en in licht beschonken toestand dat Koen B. voor het eerst op het idee kwam om een spreekwoordelijke stok in de wielen van die nieuwe facteur te steken, want ze hadden hem zijn Anneke afgepakt.

 

“Ik miste ons Anneke.” Zou hij vijf maand later in de politierechtbank jammeren.

“Zij was altijd al onze facteur geweest, en dan van vandaag op morgen moest ze weg. Ik stak dat in mijn kop. En zij ook, madam de rechter. Ze was er kapot van. In Hoogmeerbeek moest ze gaan werken, kan u dat geloven? Da is verdomme aan de andere kant van de expresweg. Als u bij ons in Donkermeer had gewoond dan zoudt u begrijpen dat dat een brug te ver is.”

 

Koen B. had altijd al een kort lontje gehad, en nu hij daar niet meer bij ons Anneke mee terecht kon zat er behoorlijk wat vuur aan de pit. Zo gebeurde het dat Jeanine De Wit plots de post van Miel Weyenberg kreeg en bakker Vermeylen met een bestelling boterkoeken aan de deur stond bij uitgerekend de enige suikerpatiënt van het dorp. Het kwam zelfs zo ver dat  tandarts Daneels bij het vullen van een gat in het gebit van de genoemde bakker zonder licht kwam te zitten omdat de elektriciteit werd afgesloten na een maandenlange wantbetaling waar hij zelf niks van afwist. De rekeningen bleken in de bus van een leegstaande woning in de nieuwe wijk te zitten.

 

“Ik begon die nieuwe wat te koeioneren, madam de rechter. Wat brieven verwisselen, wat adressen veranderen. Ik wil dat nie goedspreken. Ik had die onnozelheden niet moeten uitsteken, maar eigenlijk was dat uiteindelijk ook maar om te lachen. ‘t Was er wat over, oké. Maar langs de andere kant, ‘t waren ook weer die hoge pieten van Meergem die peisden dat ze het in Donkermeer allemaal voor ’t zeggen hadden. Geen vinger hebben wij daar eigenlijk in de pap te brokken. Daar zouden ze hier eigenlijk eens een zaak voor moeten starten, maar allez kom...”  

 

Toen hij na zijn vierde alternatieve brievenronde nog steeds de nieuwe facteur zag fietsen, besliste Koen B. dat het tijd was voor zwaardere maatregelen. Hij vatte de  koe bij de horens met een telefoontje naar het postkantoor vanuit de laatste nog werkende telefooncel in het dorp– en bij uitbreiding het noordelijke halfrond.  Dat hij klacht wou indienen tegen de nieuwe facteur, zei hij, want het liep de spuigaten uit.

 

“Maar allez, om een lang verhaal kort te maken, dan heb ik dat telefoontje naar de post gedaan. Ja, ik had nu eerlijk gezegd niet kunnen peizen dat dat die andere daar zo over zijn toeren ging doen gaan. Dat was eigenlijk gewoon bedoeld als een goeie mop. Gelijk dat ze dat op tv zeggen: a practical joke.”

 

Maar lachen deed de nieuwe facteur allerminst wanneer hij in Meergem-Waas op het matje werd geroepen en twee dagen lang door een controleur werd vergezeld. Op het einde van de rit werd hij echter niet vervangen, en dus ging Koen B. gewoon door. Van pure frustratie ging hij dit keer aan het schrijven. Vier vellen van zijn schoonste hanenpoten belandden in de rode brievenbus, zonder postzegel of geadresseerde, maar de boodschap kwam aan.

 

 “Ik weet het, die brief, zwart op wit op papier, dat had ik met mijn stomme kop niet moeten doen. Maar effenaf, madam, dat hebben ze mij ondertussen ook wel al goed ingepeperd, die twee flikken van u die daar ineens aan mijn deur stonden.”

 

Het was zijn Anneke geweest die de deur had opengedaan voor die flikken. Verrast door de uniformen had de voormalige dorpsfacteur gestameld dat ze een oude, verloren geraakte rekening kwam bezorgen. Aan haar nog openstaande blouse te zien had ze er samen met Koen B. danig achter moeten zoeken.

 

 “Ik moet grif toegeven, ik had een boon voor ons Anneke, madam de rechter.” luidde de minimalistische verklaring voor het voorval.

 

Over die boon van Koen B. werd uitgebreid gespeculeerd in de plaatselijke pers. Zonder opzet en op zijn eentje redde hij het weekblad van buurtdorp Koutergem van een gewis faillissement. Het blad zette die week zijn eerste stappen buiten het Waasland en wist zo zelfs als inspiratie te dienen voor de betere kwaliteitskrant.

 

 “Maar dat Donkermeer daardoor nu zo slecht in de gazet komt, da is voor mij de ergste straf.”

 

Toch kreeg de man daarbovenop nog een werkstraf van 60 uur bij de post en een geldboete van 200 euro. Die laatste had hij te danken aan zijn eenmansachterban, die luidkeels en ditmaal met toegeknoopte blouse zijn verdediging besloot met de slagzin:

 

“Ne kus van de facteur en een bank vooruit!”

Geschreven door Fien op 22/10/2018 - laatst aangepast op 10/11/2018

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home