De herfst dringt langzaam naar binnen doorheen het raam. Ze hangt lui in de zetel. Haar voeten glijden uit en ze zakt wat onderuit. Haar gedachten dolen rond in de woonkamer en opeens komt ze bij hem uit. Het is een vreemd soort affectie, hetgeen ze voor hem voelt. Als hij in haar gedachten verschijnt, dan is er geen tijd. Alles verstilt en deint zachtjes met haar mee.

 

Zelfs al ademt ze graag seks uit, vaak heeft ze een periode waarin ze op geen manier wakker te krijgen is. Ze vloeit mee op het ritme van dagen die voor haar allemaal hetzelfde lijken. Alles verveelt haar. Overal vinden mensen elkaar, en zij vindt dan enkel een lege kamer waarin het warme lijfje van haar kat een streelzachte troost vormt.

 

De laatste keer dat ze verliefd werd, was daadwerkelijk de allerlaatste keer. Het kostte haar meer dan een jaar om hem op afstand te houden en een haalbaar ritme te vinden, maar op avonden als deze breekt hij al te gemakkelijk doorheen de flinterdunne wand. Het is haar eigen schuld, ze laat alles semi-doorlaatbaar. Ergens wil ze nog steeds dat gevoel aanraken dat hij in haar achterliet.

 

Hij is een herinnering geworden die ze naar haar eigen zin kan oproepen. Ze heeft het hem nooit verteld hoe het gevoel haar gedachten opvrat, dat graag zien zonder antwoord. Het enige wat hij zag, dat was hoe blind ze was voor de hiaten in het web dat ze voor zichzelf schreef. Van iets onsamenhangend maakte ze verhaal waarin hij telkens opnieuw de hoofdrol kwam opeisen. En ze deed helemaal niks om dat tegen te houden.

 

Hij schreef haar ooit enkele woorden. Af en toe haalt ze het briefje weer naar boven. Laatst geurde het nog naar mandarijn, van die keer toen ze met haar kleverige zoete vingers de woorden doorliep. De prachtig gekrulde letters zijn haar op het lijf geschreven. Ze kronkelt zich in de aanzet van zijn woorden, haar rug in een welving vol overgave.

 

Ze herinnert zich nog exact de dag van hun eerste ontmoeting. Het moment. De vraag. Hoe de lucht in één vingerknip bijzonder ijl werd, waarop ze naar adem hapte. Geen enkele metafoor kan echter oproepen wat hij met haar deed.

 

In een ideale wereld, denkt ze, zou ze zomaar op stap kunnen met hem. Gewoon haar armen om hem heen slaan. Schaterlachen. Dansen. Vooral dansen. De tijd uit het oog verliezen. Samen ergens, maar tegelijk nergens op de wereld te zijn. Wandelen op het strand en daarna met zicht op zee in de zetel glijden met gloeiend warme thee. Zonder huidhonger.

 

Soms zeggen mensen dat je niet zomaar iemand ontmoet. Misschien zou ze dit nog wel kunnen geloven als het over hem gaat. Er is geen dag die voorbij gaat zonder dat ze hem voor haar geest haalt. Eigenlijk zou ze elke herinnering moeten opschrijven, maar ze twijfelt of dit dan wel een melancholische kwelling zou worden, of al dan niet een fluweelzacht maar immer onzichtbaar naslagwerk.

 

Zelfs al blijft het enkel bij gestolde verliefdheid, dit is mooier dan wat ze in jaren relaties meemaakte. In haar leven zijn het zo’n ontmoetingen die haar kleur geven. Ergens zou ze het niet willen opgeven. Kiezen is ergens iets verliezen. Altijd. Dan schrijft ze liever haar eigen wetten, en laat ze de grenzen semi-doorlaatbaar. Ze zal altijd een beetje doordrongen zijn van hem.

 

Die zij, dat ben ik. En waarschijnlijk nog zoveel anderen. Laat dit een soort stuntelige ode zijn voor verloren verliefdheid. Voor alles wat vaak verborgen blijft, en vaak enkel opgebiecht wordt tijdens een verwaaide dronken avond. 

Geschreven door Jolien op 24/10/2018 - laatst aangepast op 24/10/2018

  • autobiografisch schrijven
  • column

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home