Zij mocht als eerste naar binnen, een ongewone toegeving op vaders trots en moeders bemoeizuchtigheid. Of ze blij moest zijn met die plotse aanvaarding van haar meerderjarigheid wist ze niet. Ze probeerde een vaste tred aan te houden terwijl ze door de gang liep. De naaldhakken waarop ze zich voortbewoog maakten het er niet bepaald gemakkelijk op. Had ze toch voor die zwarte bottines moeten kiezen? Nee, die hadden iets militairs, dat kon een verkeerde indruk wekken. Hakken waren de juiste keuze geweest. Toen het tweedehandswinkeltje van het opvangcentrum het rode paar etaleerde, had ze zich de schoenen zonder aarzelen toegeëigend. Ze hadden haar doen denken aan een paar dat ze een blanke vrouw had zien dragen op een filmposter vlakbij het centrum. De assistent die haar begeleidde had breed gegrijnsd toen hij haar ernaar zag staren. In het rode schoeisel zag ze de bevestiging van haar integratie, van de mogelijke rol die ze zou kunnen opnemen in deze samenleving.

 

Klikklak, klikklak, klikklak.

 

De geur van oud gebouw had zich vermengd met die van het okselzweet van haar voorganger. Aan de andere kant van een grijsgroen bureau dat zijn gloriedagen vermoedelijk omstreeks de jaren zeventig had gekend, nam de dossierbehandelaar plaats. Rechts van hem zat een vrouw die vriendelijk glimlachte. Zij droeg geen hakken. Had ze zelf toch ook niet voor onopvallender schoeisel moeten gaan? De idee dat die rode stiletto’s haar zouden neerzetten als een te zelfzeker, ja zelfs obsceen schepsel, deed haar opeens toch in angstzweet uitbreken. In haar zomerjurk, daar op die plastieken stoel tegenover haar blauw  gekostumeerde ondervrager, voelde ze zich een overdaad aan kwetsbaar, zwetend vlees: te veel been, te veel borst, te veel voet gemurwd in felrode schoen.

 

 “Wat is uw naam, juffrouw?”

 

Zei hij nu iets?

 

 “Uw naam, alstublieft.” zei de man opnieuw, het eenlettergrepige substantief overdreven articulerend.

 

Sherine schrok op.

 

“Sherine Abd el-Tawfiq Habbal”

 

“Nationaliteit?”

 

“Van Syrië, meneer.”

 

 “Waar in Syrië woonden jij en je familie precies?”

 

“In Damascus, meneer, de hoofdstad van mijn land.”

 

“In Damascus? En wat denkt u dat er zal gebeuren als u zou moeten terugkeren naar uw thuisstad?”

 

Een druppel zweet gleed nu uit haar knieholte langs haar kuit naar beneden. Haar keel voelde droog aan. De man in het pak scheen niet te zweten. Hij leek wel een sprekend uniform, standvastig en kalm. Sherine sloeg haar klamme armen over elkaar.  

 

De man herhaalde de vraag

 

 “Ik weet het niet, meneer. Elke dag hoorden wij bommen in de buurt. Wij zouden in gevaar zijn, meneer.”

 

“Vertel me eens hoe jullie naar België zijn gekomen, Sherine.”

 

“Mijn ouders, mijn broer en ik namen samen de bus naar Beiroet. Beiroet is in Libanon, niet ver van onze stad. Daar namen wij de bus naar Turkije. We kwamen in een dorp, het was aan zee. Daar moesten we een kleine boot op. Mijn broer wou niet...”

Haar stem stokte.

 

“Hebben jullie nog enig bewijs van die busritten, een ticket bijvoorbeeld?”

 

“Nee, meneer. De bus in Syrië heeft geen tickets. Mijn vader betaalde gewoon bij de chauffeur vooraan toen wij opstapten.”

 

“Ok, dus jullie namen die boot?”

 

Ze knikte kort. Haar oren suisden, iets wat de laatste tijd wel vaker gebeurde. In een poging zich erover te zetten focuste ze haar blik op een schroeivlek in de balatum vloerbedekking.

 

“Naar de Griekse eilanden, neem ik aan?”

 

“Naar Kos, meneer.”

 

Het ruisen zwol aan. Ze werd misselijk bij het vooruitzicht op de rest van het verhaal.

 

“En wat gebeurde er daar?”

 

“Daar stierf mijn broer meneer.”

 

“Wat was de naam van je broer?”

 

“…”

Ze slikte moeizaam.

 

“Hoe lang bleven jullie in Kos?”

 

“Een  maand, misschien twee. Ik weet het niet goed, ik had koorts.”

 

“En daarna?”

 

“We namen een boot, een grotere deze keer, opnieuw was het donker. Ik was bang, meneer. We waren met veel. We waren met heel veel en we reisden naar Athene. Daar ontmoette mijn vader Jamaal. Hij kende veel mensen. Hij heeft ons geholpen.”

 

Het suizen was intussen zo luid geworden dat ze moeite had om de dossierbehandelaar te horen. Ze had erop aangestuurd dat een tolk niet nodig was om te tonen dat haar Nederlands al een behoorlijk niveau had bereikt. Nu wou ze dat ze de vragen op zijn minst een tweede keer had kunnen horen, in welke taal dan ook.

 

“En daarvoor vroeg hij geld in de plaats neem ik aan?”

 

“Mijn moeder betaalde, meneer. Hij was een goede man.”

 

“En waar bracht hij jullie?”

 

“...”

 

 “Jullie kwamen niet in een keer naar België, neem ik aan? Via welke landen zijn jullie gereisd?”

 

Zwarte cirkels dansten voor haar ogen terwijl er in haar hersenen nerveus naar de schakels voor haar spraak werd gezocht. Alle bloed dat daarvoor nodig was liet haar gezicht bleek en bezweet achter.

 

“Mijn broer is in Griekenland.”

 

“Sherine, kan je me vertellen via welke landen jullie zijn gevlucht?”

 

“Nee, meneer.”

 

Haar bewustzijn capituleerde en het plakkerige, zwetende lijf dat haar net nog zo in de weg had gezeten zeeg neer bij de schroeiplek op de grijsgroene vloer.

Geschreven door Fien op 26/10/2018 - laatst aangepast op 26/10/2018

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home