Haar huid voelde zacht als zijde en terwijl ze daar lag, welde er diep in mijn binnenste medelijden op. Ik was een bloeddorstige jager en zij niets meer dan mijn prooi. Om het gevoel van medelijden te onderdrukken, dacht ik altijd aan roofdieren, die genadeloos met hun slachtoffer spelen alvorens hen te doden. De medogenloosheid die dieren konden vertonen, bracht mij altijd weer in het hier en nu. Niet dat ik een moordenaar was, maar een roofdier zeker wel. In deze stad waren er wel meerdere zoals ik maar niemand zo fijn geslepen, niemand zo uitgerekend.

 

Terwijl mijn huid de hare raakt, schrikt ze op:

 

“Wat heb jij het koud.” en ze glimlacht naar me, een glimlach die de meeste mannen in vuur en vlam zou zetten. Blonde krullen, een satijnen huid en donkergroene ogen. Mannen stonden in rijen aan te schuiven om haar het hof te maken. Ze wou graag actrice worden maar zoals haar waren er duizenden.

 

“Het is mijn bloed” antwoord ik kil. 

 

“Je bloed?” er verschijnt een kronkel op haar daarvoorheen gladde voorhoofd. Het was niet het antwoord waar ze op had gehoopt.

 

Ik tover een lach op mijn gezicht die haar meteen terug gerust stelt. Ze lacht, kijkt me aan en het spel gaat weer verder.

 

“Koud bloed? Wat voor roofdier bent u dan?”

 

“Het meest gevaarlijke dat hier op aarde rondloopt.”

 

“Oh ja?”

 

Ik laat het gesprek achter me en wandel richting het balkon om een sigaret te roken. In de straat spelen wat jongeren voetbal met een platgedrukt blikje frisdrank. Luid en met hun arme zwaaiend telkens de lichte van een auto opdoemt. Om daarna, wanneer de auto voorbij rijdt, het spel weer te hervatten.

Ik nam en laatste teug van de sigaret en keerde terug naar haar bed. Ze sliep reeds en toen ik haar daar zag liggen, borrelde het medelijden weer in me op. Hier kon ik de rest van de nacht niet spenderen, dacht ik bij mezelf. Een teveel aan gevoelens schrikt me af. Na al mijn spullen te verzamelen, slenterde ik de trap af richting de voordeur.

Buiten was het nu veel rustiger, de spelende kinderen waren allemaal naar binnen, enkel het blikje lag nog op straat. Met een heuse aanloop en enorme trap probeer ik het blikje weg te stampen. Mijn voet blijft echter steken achter een grote kassei en ik val op een auto die aan de zijkant van de straat geparkeerd stond. “Gevaarlijkste roofdier” dacht ik en een glimlach verscheen op mijn gezicht.

Geschreven door Prins Vogelvrij op 08/11/2018 - laatst aangepast op 09/11/2018

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home