Aan de oostzijde van het dorp Halfstede, langs de rand van een groepje huizen die in eenzelfde zomer werden neergezet en er allemaal eender uitzagen, lag een klein parkje, een bescheiden stukje groen. Er stonden een paar bomen, één bank met de rugzijde naar straat gekeerd, aanleunend tegen een rij struiken,  en een bescheiden gazon waarvoor de gemeentediensten nauwelijks een half uur nodig hadden het om te maaien. Een kindvriendelijke toets werd bij de aanleg niet vergeten: een klimhuisje met een glijbaan van nog geen meter hoog, en twee wiebeltuigjes in de vorm van een paddenstoel op een grote veer gemonteerd. Kortom, een klein vredig plekje, een uitnodiging om te verpozen, gewaardeerd door iedereen in de buurt.

Op een frisse, regenachtige morgen in maart verscheen een man in het park. Hij zette enkele stappen op het kleine grasveld, bleef staan, bracht zijn armen achter zijn lichaam en liet zijn jas in een paar schokjes van zijn rug glijden en op de grond vallen. Hij keek er niet naar om, alsof het een stuk afgeworpen dode huid betrof. Hij droeg een blauwe jeans en een lichtkleurig hemd, netjes alledaags. Hij was helemaal niet op het vervolg gekleed, want hij nam een bijl uit een tas, gloednieuw, plantte de steel stevig in beide handpalmen en klemde alle vingers er rond. Hij ging voor een boom staan. Plots dreef hij zonder aanleiding en met een ongeziene brutale kracht de bijl in de stam. Door de slag vluchtte een duif door de takken weg. Vloekend wrikte hij de bijl los. De vezels kraakten en hingen als stroeve draden uit de stam. Hij sloeg opnieuw, en opnieuw. Er leek geen welbepaalde plaats te zijn waar hij zijn bruut geweld op richtte. Hij sloeg enkele keren op de ene plaats en beukte dan op een andere, bedacht zich opnieuw en viseerde dan weer een andere plek. In zijn allesomvattende woede kwam hij handen tekort.  Het liefst had hij de boom overal tegelijkertijd willen treffen, op eenzelfde moment. Bij elke slag was er een dof trillend geluid dat in het vochtige hout uitstierf, en harsdruppels liepen dik en langzaam langs de stam naar beneden. De man kreunde bij elke uithaal zoals tennissers op televisie plegen te doen. Af en toe schreeuwde hij iets onverstaanbaars, haalde onverwacht een paar keer vastberaden uit naar de onderzijde van de stam, ging een stap opzij en zette plots zijn zinnen dan weer op een grote tak boven zijn hoofd. Hij maakte een paar keer gekke sprongetjes terwijl hij hem te lijf ging.

Het duurde een tijd voor iemand het opmerkte, maar na twintig minuten stonden er een vijftiental omstaanders toe te kijken. ‘Wat bezielt die man toch?’ zei er iemand, en vertolkte daarmee iedereens indringende vraag.  Iemand wou op de woesteling afstappen maar werd door anderen tegengehouden. ‘Niet doen, het is een gek uit die instelling verderop.'  Het was waanzin wat ze zagen.
‘Hé, wat richt jij daar uit?’, riep tenslotte iemand vanop een veilige afstand. Hij hield niet op met de bijl in het hout te drijven, leek de man eerst niet te horen, maar zonder op te kijken schreeuwde hij zichzelf tussen twee slagen schor. ‘Laat me met rust! Bemoei je met je eigen zaken!’ Het was gewoonweg ontstellend zielig, de boom werd in zijn razernij onherstelbare schade toegebracht en was nu stervende. Overal stukken bast op de grond, zichtbare, verscheurde en gapende wonden in het bleke spinhout, loof dat overal verspreid lag, takken die op gebroken armen leken. 'Hebben we misschien bomen te veel in de wereld misschien?’ werd hem opnieuw toegeschreeuwd. Hij antwoorde niet meer, speeksel liep langs zijn wang en in zijn haar, zijn hemd hing uit zijn broek, een kleed in zwijgzaamheid gehuld dat somber en gevaarlijk aanvoelde.  

Iemand belde de politie. Toen twee eenheden zonder sirene en zwaailichten maar wel in kogelvrije vesten arriveerden lag de boom geveld op zijn zijde, en zag eruit alsof hij urenlang een tyfoon het hoofd had moeten bieden. Het was niet genoeg dat hij tegen de grond lag. De man hakte en houwde verder. Een agent beval hem onmiddellijk op te houden. Hij hield inderdaad even halt maar sprak vreemd genoeg de boom aan. ‘Sapstroom ? Waar ben je ? Sapstroom?’ Daarna begon hij te huilen. Het leek op het huilen van zijn prille begin als kind, wanneer zijn moeder hem voor de eerste keer naar de kleuterklas bracht. De agent keek zijn collega aan en fluisterde. ‘Compleet door het lint. Hou je klaar.’ De agent probeerde hem al pratend te bereiken en sprak hem verzachtend als een grote broer toe. ‘Zie je, je hebt hem omgehakt nu, je hebt je doel bereikt. Je bent klaar hé? Kun je die bijl een eindje van je weggooien? Dan kunnen we rustig even praten.’ Voorovergebogen keek de man de agent aan terwijl hij zwaar stond te snuiven, zijn borstkas hevig op en neer ging, de bijl rustend op zijn knie. Een splinter hout lag op zijn onderste lip. Het leek even of hij ging braken terwijl hij het tesamen met andere troep uitspuwde. Iemand zei: ‘Drugs natuurlijk’, wat op veel bijval kon rekenen. ‘De druk op de gezinnen mag je tegenwoordig ook niet onderschatten’ zei een ander. ‘Ze persen je uit als een citroen, straks werken we tot ons tachtigste.’  Maar allemaal waren ze het er over eens dat bomen onschuldige wezens waren die ’s nachts zuurstof afgaven en daarom met grenzeloos respect bejegend moesten worden.

‘En, wat denk je? Kan je mij  jouw naam zeggen?’  vroeg de agent rustig. Het enige antwoord dat volgde was een onbedaarlijk snikken dat in alle hevigheid weer toenam. ‘Man, ik zie dat je het moeilijk hebt’ zei de goed opgeleide agent. Plots, met een krachtige haal die alle vorige overtrof, dreef hij een laatste keer de bijl in de verwoeste stam en liet hem daar zitten. Vanaf dan ging het snel. Bijna ogenblikkelijk wierpen drie agenten zich op hem, spreidden armen en benen in veiligheidshouding op de grond uit en fouilleerden van boven naar beneden. Voor de nieuwtjes onder hen was het een goede praktijkoefening. Onder de wirwar van armen en benen zag je de man niet meer liggen. Hij bood geen weerstand. Je hoorde hem alleen roepen.

 ‘Geen vruchten meer ! GEDAAN ! Niet groen, maar ZWART ZWART ZWART ! ‘

De politiemannen zeiden niets terwijl hun volle aandacht naar het in hechtenis nemen ging. Ze brachten zijn polsen samen op zijn zijn rug en boeiden hem. Net op dat moment kwam een fietser langs, zag de twee politiewagens en het tumult op het gras. Nadat hij door het groepje toeschouwers uitvoerig op de hoogte werd gesteld fronste hij zijn wenkbrauwen terwijl de man werd weggeleid.
‘Is dat Peter Van Hul niet?’ zei hij hoogst verwonderd.
Alle ogen keken naar de man op de fiets.
‘Hoezo, ken je hem?’
‘Natuurlijk. Peter heeft hier vlakbij gewoond. Onze kinderen zaten bij elkaar op school. Af en toe hoorde ik nog iets van hem, maar ik had onlangs liever niet vernomen dat zijn dochter Judith in een ongeval om het leven was gekomen. ‘O, maar die arme man is gek geworden! ’ viel iemand hem bij. De man op de fiets keek naar de plek en staarde naar de boom die in een deplorabele toestand op de grond lag. Hij speurde het park af en begon zich iets te herinneren.
‘Ik geloof dat…’ Hij zocht in zijn geheugen naar steunpunten.
‘Het is nog altijd geen reden om de natuur zo te vernietigen als ik het eerlijk mag zeggen’ zei een oudere vrouw. Dit keer zei niemand iets.
‘Ik geloof dat die boom daar...’
‘Wat dan?’
Alleen wie dicht genoeg stond kon het hem horen zeggen.
‘Ze hebben die boom daar bij haar geboorte geplant.’

 

Geschreven door Lode Van Wabeke op 18/11/2018 - laatst aangepast op 19/11/2018

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home