Toen het begon, was het al te laat. Te laat voor verandering, voor twijfels die klaar stonden om toe te slaan. Te laat me om te draaien, heel hard weg te rennen, niet wetende wat er me te wachten zou staan in de buitenwereld. Met het kille gevoel van ijzer rond mijn polsen, besloot ik mijn lot te accepteren. Uiteindelijk was ikzelf degene die deze chaotische situatie veroorzaakt had. Ikzelf, en de foute beslissingen die ik zoals wel vaker impulsief genomen had. Men zegt dat wanneer het pad dat bewandeld wordt, uitzichtloos lijkt, er altijd wel een weg is. Ik had op dat moment twee keuzes; vallen of doorgaan. Ik koos voor het tweede, me ervan bewust dat de eerste mogelijkheid véél gemakkelijker was. De verleiding was zó groot, om de gemakkelijke weg te kiezen. De weg naar de oneindige, definitieve vergetelheid. De weg naar het einde. Ik zag alles levendig voor mij; wandelend naar de beangstigende maar uiteindelijk betere keuze, vallend in een donkere, eindeloze put die me ertoe aanzette me ontmoedigd te voelen, maar toch het tegenovergestelde effect had. Ik zou vallen, blijven vallen, tot de laatste klap. De klap die alles, alle ellende zou beëindigen. Die mij zou beëindigen. Ik, Samantha Chevalier, de oorzaak van alles wat volgens ethische overtuigingen als kwaad wordt beschouwd. Eigenlijk maakte het geen verschil, de keuze tussen vallen, of doorgaan. Mijn eindbestemming bleef hetzelfde. Het enige verschil tussen deze twee vreselijke keuzes, zou de moordenaar zijn. De zelfmoordenaar, ikzelf, wanneer ik koos om te vallen. Of de moordenaar, die mijn bestaan een halt zou toeroepen, omdat de onmenselijke "menselijke" wezens die boven hem stonden, en meer te beslissen hadden, hem dit verplichtten. Dit gruwelijke, maar terecht verdiende lot. Het moment was aangebroken. Het grote moment, maar toch enorm klein tegenover alle andere gruwel die mijn bijna sluitende ogen ooit hadden moeten aanzien. Dit zou hoe de maatschappij moet zijn volgens de norm, immens verbeteren. "Samantha Chavelier, polsnummer 55, mag binnentreden. Indien gewenst, mag er vijf minuten worden getelefoneerd onder toezicht van onze bemanning." Dit was een aanbod dat ik, hoewel ik dit diep vanbinnen vriendelijk wou weigeren, zonder een enkele seconde twijfel, toch aanvaardde. Mijn handboeien werden hardhandig verwijderd terwijl ik rondkeek in deze ruimte, een ruimte met maar één doel. Voordat dat kon gebeuren, moest en zou ik nog één allerlaatste boodschap meedelen. Een boodschap die enkel en alleen voor de meest dierbare persoon in mijn schandalig leven bedoeld was. Andreas La Fontaine, mijn grote liefde, mijn steun en toeverlaat. Veelbetekende woorden die na deze vijf minuten niks meer zouden betekenen. "Bevrijd jezelf van mijn zogenaamde liefde. Het sleuteltje dat achter de koekoeksklok hangt, geeft toegang tot mijn juwelenkistje. Daarin zal je alle antwoorden op je brandende vragen vinden. Het spijt me dat ik je niet kon geven waarnaar je zo hard verlangde. Mis me niet, verafschuw me. Dag." Wat de bemanning niet wist, is dat Andreas nooit heeft opgenomen. Dat ik zonder medelijden naar het antwoordapparaat werd verbonden. Het antwoord dat ik nooit zou, en zelfs niet wou krijgen. Andreas was de enige die antwoorden verdiende. Het laatste wat ik zag, was een zilveren plafond, om vervolgens het brandende gevoel van deze roekeloze vlammen op mijn lijkbleke huid te voelen. Tot ik niets meer voelde, niets meer hoorde, niets meer zag. Misschien zagen de engelen nog een klein deeltje goeds in mij, dat ze me een kans gaven op rust. Volledige, stille, definitieve rust.

Geschreven door Aerin Hanane Wolkje Thijs op 25/11/2018 - laatst aangepast op 25/11/2018

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home