Soms denk ik: ze hebben me door, nu raak ik er niet meer mee weg. Maar telkens heb ik het verkeerd. Er komt geen einde aan de gebakken lucht die je kan verkopen als je een superbekende ondernemer bent. Het enige wat je moet doen, is je sympathiek voordoen tegen mensen waar je stiekem een beetje op neerkijkt. In mijn geval is het simpel: ik sponsor een voetbalploeg in de eerste voetbalklasse. Dat kost me een pak geld, maar om geld zit ik niet verlegen. Om sympathiek te doen, geef ik af en toe gratis consumpties weg of ga ik in de spionkop staan. Mensen appreciëren zoiets. Er zitten ruige types bij die harde kern en sommigen zouden iets meer lichaamshygiëne aan de dag mogen leggen, maar ze zijn er weg van als ik ertussen ga staan. Ik krijg schouderklopjes en duimen die de lucht ingaan, en dan grijns ik breed, omdat ik weet dat het alweer gewerkt heeft. Ik ben een man van het volk, hou ik hen voor. Sommige mensen worden maar al te graag voor het lapje gehouden. Ik kan er ook niets aan doen. Het is de menselijke natuur.

 

Ik klaag er niet over. Het is net door die menselijke natuur dat ik rijk geworden ben. Van mensen voor het lapje houden, kan je in geen tijd steenrijk worden. Ik ben begonnen met het verkopen van parfums. Dat was best een winstgevende business. Je koopt voor geen geld wat ingrediënten in, je doet alsof je een artisanaal laboratorium hebt in België – tewerkstelling in eigen land! - , terwijl je eigenlijk wat armlastige academici gevraagd hebt om tegen betaling wat onderzoek te doen naar nieuwe geurtjes. Nooit heb ik dichter gestaan bij het verkopen van gebakken lucht als toen. Ik heb een BV gevraagd die wat uit de belangstelling gesukkeld was, maar ooit een Missverkiezing won, om het gezicht te zijn van de parfumlijn en klaar was kees. Ze is een mooie vrouw, ze is later mijn persoonlijke assistente geworden. Ik ben niet bepaald een mooie man, maar af en toe delen we wel het bed. Ik zeg je: er zijn geen grenzen als je rijk en bekend bent.

 

Mijn parfumimperium heb ik na een vijftal jaren verkocht. Ik wist niet goed meer welke kant ik er mee uit moest en er was interesse van een buitenlandse concurrent die wat meer voet aan de grond wou krijgen in België. Het kwam als een godsgeschenk voor mij. Ik was erop uitgekeken en ik werd in één klap schatrijk. Het bedrijf was een lege doos, we maakten verlies, maar dat had ik handig weten te vermommen. Die idioten moesten maar niet zo dom zijn om erin te lopen. Ze wilden het verhaal geloven. En de kranten schreven netjes wat ik wilde: dat het niet mijn schuld was. Ik ben daarnet overgestapt naar de verkoop van geneesmiddelen waar je geen voorschrift voor nodig hebt. Nergens kan je mensen meer voor het lapje kan houden dan nepmedicijnen die geen effect hebben, maar wel het gevoel geven dat ze helpen. Een goudmijn. Het is in die tijd dat ik steeds meer in de media kwam. Ik nam een carnaval-lied op onder mijn eigen naam: Ivo Debacker. De titel van het lied: ‘Het is voor Debacker’. Het personeel was er weg, het grote publiek ook. Er verschenen steeds meer artikels in de pers over die gekke ondernemer.

 

Maar je weet hoe het gaat: er zijn altijd zuurpruimen die moeilijk gaan doen. Toen ik mijn bescheiden parfumimperium verkocht, waren er sommigen die opmerkten dat ik nul euro belastingen betaalde op de verkoop ervan, zoals het hoorde. Dat is om gek van te worden: er zijn altijd mensen die kritisch zijn en je je succes misgunnen. Natuurlijk wou ik geen belastingen betalen, ben je gek? Belastingen zijn voor anderen. Voor de supporters van de voetbalclub die ik sponsor, om maar iets te zeggen. Laat die maar betalen. Er was nog een andere reden waarom ik in het oog van de storm terecht kwam: ik had een druk bekeken nieuwsuitzending van de commerciële televisie onderbroken door achter de presentator mijn carnaval-lied te zingen, terwijl ik met enkele kompanen in een polonaise rond hoste. De baas van de televisiezender was niet helemaal amused, maar ik ken hem goed en hij vergaf het me. Uiteindelijk was er veel aandacht voor, en daar gaat het om. De meesten vonden me alleen maar meer sympathiek. Een gekke ondernemer die uit de band sprong. Wie daar iets op aanmerkte, was een azijnzeiker.

 

Maar er waren dus ook anderen die erop wezen dat ik geen belastingen betaalde en die daar een hetze van maakten. Het werd een discussie in de pers. Dat viel me wat tegen. Als bekende ondernemer had ik banden met de grote mediabonzen. Op tijd en stond verscheen er een positief artikel over mij. Zo was er een sportjournalist die een stuk van twee bladzijden publiceerde waarin hij me afschilderde als een uiterst grappige man, die eigenlijk evengoed stand-up comedian had kunnen worden. Heerlijk, als je de pers zo in je zak hebt. De waarheid is dat ik helemaal niets kan, behalve aandacht krijgen. Ik heb de journalist een fles whisky gestuurd als bedanking. Al deed hij eigenlijk alleen maar wat zijn baas – Kürt Van Looy, CEO van ’s lands grootste mediabedrijf - hem opgedragen had.

 

Maar het lukt dus niet altijd. Naar aanleiding van de discussie over de belastingen die ik niet betaald had, heb ik een persconferentie gehouden. De persconferentie ging niet over de belastingen zelf, maar over een investering die ik deed. Ik stopte geld in nieuwbouw aan de Belgische kust. Voor iemand als ik is het niet moeilijk zoiets voor te stellen als iets van groot maatschappelijk nut, als een zegen voor iedereen die aan de kust woont. De Belgische kust is al langer verkloot door projectontwikkelaars. Ik deed al maar mijn duit in het zakje. Wie kan daar iets op tegen hebben? Ik was die dag piekfijn uitgedost: paars hemd, beige pak met dunne rode strepen en een geurtje van mijn voormalig parfumimperium. En naast mij mijn ex-Miss. Niet aan mijn arm. Ik ben getrouwd.

 

Ik wist dat er vragen zouden komen over de belastingen. Ik had afgesproken met Kürt Van Looy dat één van zijn journalisten er zou over beginnen, als niemand anders het deed. Ik had mijn antwoord klaar. “Het geld dat ik niet aan de fiscus gegeven heb, ga ik investeren in de maatschappij”, zei ik. “Binnen een termijn van vijf jaar zal ik tweeduizend jobs creëren en zo mijn steentje bijdragen aan de samenleving.” De journalisten noteerden het vlijtig en de volgende dag stond het overal op de voorpagina van de kranten. Fantastisch. Het voordeel is dat niemand zo’n uitspraak goed klinkt, niet meteen te controleren is en binnen vijf jaar niemand nog weet heeft van die uitspraak. Zoals ik zei: mensen willen voor het lapje gehouden worden. Maar als u me nu even wil excuseren: we gaan dadelijk een politiek praatprogramma kapen met onze carnaval-hit. Ik heb een felgroen hemd en een rode short aan. Het wordt lachen, dat staat vast. Ik kijk al uit naar de schouderklopjes en de duimpjes op de voetbaltribune.

Geschreven door Dominique Soenens op 06/12/2018 - laatst aangepast op 09/12/2018

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home