Het komt door die multifocale bril. Soms is alles poëzie, soms niets.

 

Beste Loreleie,

 

Ik, Marnix Mortemtuli Mosscheldief, wees sinds mijn zevende levensjaar en sinds deze morgen vader van acht lege flessen bier, ik moet je nog veel bekennen, je nog zo veel vertellen want in het jaar tweeduizend en twaalf (daar zal ik beginnen) vielen de natte dromen uit hun wolken.

 

Het was een decembermaand met veel regen. Kelders werden plaatsen van onheil en lang gedweil.

Op vrijdag de éénentwintigste blies er een maritieme wind, uit het zuidwesten en om tien uur moest ik er zijn, bij Gloria Duyveschuyf. Zo heette mijn bobonne. Er werd op mij gewacht in Mariakerke-Bad, maar ik kwam een kwartier te laat, veel te laat.

 

Liefste, de bereiding van garnaalkroketten is niet gemakkelijk. Ze ging het nog een keertje voordoen, tonen hoe het moest, mijn bobonne, die dag, stap voor stap en dan, op kerstdag, zou ik het voor een eerste keer gans alleen klaren.

Iemand moest de fakkel overnemen. La préparation et la dégustation de croquettes aux crevettes grises à la Mariakerkaise. Het is familietraditie. Het is een ritueel.

 

Edmond Mosscheldief vangt de beestjes al enkele jaren niet meer. Hij ligt onder de zoden en de garnalen worden nu bij Franky van Oostende gekocht. Dat schreef ik je eerder al, mijn Lorelei, en in het huis aan de Vredestraat is er sinds de dood van bompa Edmond niet veel veranderd. Ogenschijnlijk toch. De schrijfmachines worden afgestoft, dat wel, maar ze blijven verder onaangeroerd. Ik heb op een klaarheldere dag wel deze Touchmaster Five meegenomen voor het schrijven van juweeltjes die als te kleine trouwringen niet over mijn eikel passen.

 

Je leest het, schat, het is een zware nacht geweest. Ook toen. Op donderdagavond, hier in mijn bungalow te Snaaskerke ging ik één kilo geirenoars pelen, met de hulp van enkele flessen Snaaskerkse stout. De tijd vorderde als enige, het werd nacht en mijn vingertoppen werden met de uren dikker, te lomp om nog de beha van een tante los te krijgen.

  

Was eerst je handen, mijn jongen. Soms klinkt dat als poëzie, in de oren van de dieren.

 

Lorelei, ik kan het niet, dat denk ik soms, maar het dringt zich op. Frases en fluisterende dialogen willen eruit. Ik moet het opbiechten want ook de mol wil zich niet schamen voor zijn daden diep onder de grond.

 

Met mijn vélo, engellief, ben ik die éénentwingste december van Snaaskerke naar Mariakerke gefietst. Het zakje gepelde garnalen hing over de greep van mijn linker remhendel. Er viel mot en koude regen liep in druppels langs mijn achterhoofd, over de nek, tot op mijn blote wervels en ik droeg diezelfde blauw jas die ik dragen zal als wij elkaar zullen ontmoeten. Het is een Helly Hansen. Op de linkermouw stond toen al HH, de wind duwde in de rug en toch kwam ik te laat aan in Mariakerke.

 

Met mijn eigen sleutel opende ik de vitrinedeur en trad de achterkeuken binnen. Het was er stil. Ook de middengolfradio zweeg. Geen Radio Caroline die weerklonk. Hij stond waar hij nu nog altijd staat, die oude Sababuizenradio, links op het dressoir, tegen de linkermuur, naast de Playmobilridder onder de kaasstolp en ik zag het, hij droeg een klein Damocleszwaard, in zijn rechterhand.

Weerloos voelde ik mij en hield, in mijn linkerhand, het zakje garnalen stevig vast.

 

  

 

 

Schat, hij wordt langer en langer, de brief.

Dit is het vierde velletje en heeft als titel : Marnix Mortemtuli.

 

Geschreven door Dimitri Dendonder op 11/01/2019 - laatst aangepast op 12/01/2019

  • proza
  • autobiografisch schrijven

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home