Ik zit aan onze eettafel en blader door een boek met ‘1000 vergeetwoorden om te koesteren’. Het zijn woorden als pertang, schielijk, schobbejak en bijkans. De bijhorende beelden komen als vanzelf. "Ik had pertang goeien troef", hoor en zie ik grootvader aan de ronde keukentafel in het ouderlijk huis zeggen.  Deze dopen ze op vrijdagavond om tot kaarttafel. Ze zitten er met zijn vieren. Het is een beeld van lang geleden. Hij werpt zijn twee resterende speelkaarten theatraal op tafel, waarbij ze een paar keer rond hun as draaien. Het spel kunnen ze niet meer winnen. De overige troeven zitten bij de tegenpartij. Hij gooit zoals een lassowerper, maar dan met speelkaarten in plaats van met een touw. De teleurstelling van het verloren spel dikt hij hierdoor nog wat aan. Alsof het een staatszaak is. 


“We hebben toch bijkans acht slagen”, vervolgt vader troostend. Hij is in dit spel de compagnon van grootvader. En dat hij maar drie troeven had, maar wel goede ‘speelkaarten’, waarna hij de zeven gerangschikte stapeltjes met telkens vier kaarten nog maar eens natelt. Alsof het er plots acht zouden zijn. Grootvader vervolgt dat hij ook geen ‘vluchthand’ had. En de nonkel die met vijf troeven durft te passen, is volgens hem een schobbejak. Het is taal en kaarterstaal die je nog zelden hoort.

 

Tussen het kaarten door vertellen ze verhalen, over de een of andere kennis die schielijk gestorven is. Waarna grootvader ongeduldig vraagt of er nog gekaart wordt. Want met al dat gepalaver komt er van kaarten niets in huis. Gepalaver. Wie gebruikt het nog? Ook dat staat in het boek van niet vergeten woorden en niet vergeten mensen.

 

Geschreven door Rudi Lavreysen op 14/01/2019 - laatst aangepast op 14/01/2019

  • column

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home