ik vond mijn stamvader terug

op de tong van een gletsjer, met koperbijl

en berenmuts, gaaf bewaard met nagels,

huid en haar, ouder dan Toetanchamon.

de rook van houtskool nog in de longen,

stuifmeel in de gaten van zijn gebit.

ribben, door ijs verpletterd.

 

ik bood hem de nodige zorg aan,

droeg hem het dal in, wreef hem warm

en hees hem in verse kleren op een stoel.

terwijl de thee trok viel hij moe voorover.

verman je, zei ik.  even later, leek hij in een staat 

van ontbinding en wees ik hem hoffelijk

maar niet langer gastvrij, de deur.

Geschreven door Wim Vandeleene op 17/01/2019 - laatst aangepast op 17/01/2019

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home