Lorelei,

 

Ik kom echt naar je toe deze zomer. Ik zal aangevlogen komen als een duif naar zijnen stillen til. Doch, voorlopig stuur ik al mijn brieven met de post.

 

Ik heb nog geen klachten, geen maanbrieven gekregen van de Raad voor Doorgelichte Post en Zuivere Gedachten en voor mijn scheef geschrijf heb ik nog postzegels genoeg. Ik heb er met kameleons, met colibri's, kamelen zijn te groot, denk ik, ik kleef ze zonder tonggelik, de gifkikker, die spaar ik voor mijn laatste brief.

 

Eerst moet ik je veel en nog vertellen wat voorafging, want het heeft geen zin om samen, zonder voorkennis, ergens in een achterkeukentje, daar twee kroketjes te bakken, te proeven met vier druppeltjes citroen, een takje peterselie, kort frituren.

 

Voorwaar, het is een ritueel. Jou wil ik ook, je moet het proberen, maar eerst moet ik door het slijk, een halve regenworm weer moed inspreken, want hij wilt ploeteren. Zij wilt verder, lacht de blindste cel.

Waarom en hoe en toch, niemand lijktverward, in schier onwetendheid leven de meesten en de sterfgevallen worden doorgaans niet geteld.

 

Liefste, mensen, kikkers zijn al duizend keren overrold door wielen, dolgedraaide zomerwiekjes van een windmolentje kleuren met hun dun plastiek het strand en ergens zoemen ze, veel te veel, die vliegen moeten dood. Mep en heb geluk, mijn schat, dat niemand veel beseft, veel weten kan, seconden stilstaat voor het licht, voor rood, wordt meestal nog gestopt en zelfs begrafenissen zijn al jaren zonder stoet.

 

Deze nacht, het viel nog mee, ik heb wel raar gedroomd, maar niet zoals de nacht daarvoor. Ik moest geen hol insmeren, oude poppenkoppen lijmen, echt, er was geen mens op de planeet, ik jubelde, ik was alleen, ja oef en toch gingen ze dood de beesten die er niet om gaven.

 

Eerst, ik liep langs venen, vijvers en moerassen, vroeg het aan de kikkers of ze wisten, hoeveel puitenpoten, slijmerige lijven door den uil die nacht verslonden waren, maar ze wisten gans gaar niets, ze bliezen met hun kaken, kookten in de zon, ze trokken schouders op en sprongen in het sop.

 

Zelfs toen ik een familie zag en ik moest alweder aan haar denken, Manouche is een vrouw van de natuur, een eva zonder blad, mijn fluit stond stijf, oefende wat, het was een groot gezin, wel twaalf of meer, het waren beestjes van de lieve heer, opvallend rood met zwarte vlekken zonder veel betekenis, ik vroeg: wat gaet gijlder doen den ganschen dag?

 

Luyzen freten, met kop en al, den één achter den anderen, en om elf uur moest we er zijn bij het crematorium. Niemand die het precies wist hoe lang het duurt, vooraleer zo'n kist volledig is herleid tot as.

 

Gedroomd heb ik, geloof, gewoon van dieren en Manouche kwam aangereden met haar vlinders, fijn geschilderd zijn ze met diezelfde vingers die mijn nek verkenden in de kelder, meer dan eens.

 

De beesten hadden niemendal en niets in de mot, slechts één roodborstje verlangde naar het rood, want Lilly droeg er één, een muts intens van kleur als snoeptomaten en hij staarde. Het was een kraai, terwijl we eerst met zijn drieën aan de kist trokken, uit de Oldsmobile.

 

Daarna hieven we bobonne, die hield van eenvoud, barsten mocht de witte bast van berken maar garnaalkroketten liever niet, we gingen met zijn zessen, drie tantes, Michel, mijn nichtje Lilly, mijn twee armen droegen haar naar de brede deur. Het crematorium stond open. Niets leek opgewarmd. De zaal met ovendeurtje was volledig leeg.

 

 

 

'Beestjes van de lieve heer' moet de tiende brief zijn, Lorelei.

Ti amo! 

Marnix

 

Krevetten en kroketten' is een bundel uit de reeks 'Doodsbrieven aan Lorelei'

  

Geschreven door Dimitri Dendonder op 25/01/2019 - laatst aangepast op 04/04/2019

  • proza
  • autobiografisch schrijven

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home