Dag Lorelei,

 

Op 22 december 2012, rond het middaguur, zwommen garnalen niets vermoedend in ondiep strandwater. Bij de vloedlijn is het zeewater toch net iets warmer en daar moet je zijn, de golven niet vrezen, het schuim ondergaan.

 

In een crematorium is de lucht eerder muf dan zout en de zonnestralen kunnen er niet spelen met een helder wateroppervlak. Onze kijkers waren wel een beetje nat. Zelfs Michel knipperde af en toe met de ogen en we hadden de donkerblauwe stoeltjes in twee rijtjes van drie opgesteld.

 

Michel zat links vooraan, als een chauffeur, Lilly naast hem, Nathalie verwijlde rechts, haar linker arm die had zij over Lilly’s schouders heen geslagen, als een sjaal van vlees en bloed.

 

Op de twee rij, daar zaten wij, Manouche in het midden. Anoesjka, ikzelf, wij lieten ons hoofd rusten tegen de schouders van Manouche als steunberen tegen een middenbeuk.

 

Ik houd van mijn tantes en zij van mij maar Manouche en ik, wij houden niet van ovendeurtjes, nog minder van het allerkleinste. Het was juli 2009. Edmond Mosscheldief lag op sterven. Manouche verwachtte een tweeling. Ik was de vader en het water brak.

 

Warm vruchtwater was het, Manouche vijf maand zwanger, bijna zes en het gebeurde op een donderdag, op nog geen kilometer van het ziekenhuis. Ze was teruggekomen van haar reis langs vrolijke gezichten. In de zomer willen alle cellen volop leven.

 

De mol kroop wat dieper, zocht verfrissing, duwde aarde, bruin, verloren hoop omhoog, Manouche zij droeg een zak met fruit en vitaminen, Edmond Mosscheldief ging zij bezoeken, had een bakje aardbeien gekocht, voor hem, voor zijn zo droge mond.

 

Manouche is met de zak tot aan het ziekenhuis geraakt, maar het was niet meer te stoppen. Ze gingen geboren worden, die dag nog en ik was bij haar. Pijn ging ons versnijden, blijdschap muilkorven, zout in onze ogen wrijven, rode vlekken kleuren in het wit rond vier pupillen.

 

Grauwgroen werd het gras dat jaar. Ze zouden sterven. Eer nog dan Edmond Mosscheldief. Twee kleine wezentjes van wie wij hielden meer als onschuld van het reine wonderzand waarmee men fijn de ziel kan schuren.

 

Waarom? Omdat ze nog niet konden ademen. Omdat het nog te vroeg was. Omdat het niet mocht zijn. Je kunt ze nog een keertje vasthouden als je wilt en ergens diep, je drukt in de lift op de meest zwarte knop, je daalt en je zakt en je daalt.

 

Ik hield de hand van Manouche vast alsof het de mijne was en wij alles gelijk voelen konden. Dood stroomt er doorheen. Het kan. Hij zat toen overal, op elke bank, de muurtjes rond stille gehuchten zijn een goede meter hoog, ze kennen hem, Pietje de Dood en er zijn stenen die het kunnen zeggen, dat zijn gat zo koud is als het ijs van zeven eeuwen.

 

Ergens diep, een nonnetje wist het zijn, donkere gangen door, voorbij eeuwig gesijpel, twee scherpe bochten om en daar is er ook eentje, een minuscuul oventje, voor de allerkleinste onschuld.

 

 

 

 

Brief nummer twaalf is dit met als titel 'Ijs van zeven eeuwen'.

'Krevetten en kroketten' is een bundel uit de reeks 'Doodsbrieven aan Lorelei'

 

Geschreven door Dimitri Dendonder op 09/02/2019 - laatst aangepast op 04/04/2019

  • proza
  • autobiografisch schrijven

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home