Het is waar wat ze zeggen. Dat de tijd plots stilstaat wanneer er iets ergs gebeurt. Alsof de wereld stopt met bestaan en alleen jij er nog toe doet. Zo voelt het. Tien minuten geleden was ik nog gewoon onderweg naar het werk, nu weet ik niets meer. Alleen dat ik het koud heb, ook al is het buiten bijna dertig graden. In een roes zie ik hoe de tram zijn deuren opent en mensen uitstappen. Het signaal van de deuren piept. Ik kan niet blijven zitten. In een impuls neem ik mijn tas van het zeteltje naast me en haast me door de openstaande deuren. Net op tijd.

Ik sta verdwaasd in een tramhalte die ik niet ken, op een plek waar ik nog nooit ben geweest. Het felle zonlicht doet pijn aan mijn ogen. In mijn linkerhand houd ik nog steeds mijn telefoon geklemd. Ik moet dit aan iemand kwijt. Iemand moet me helpen. In een reflex druk ik in mijn contactenlijst op haar naam en breng het toestel naar mijn oor. De telefoon gaat over, maar neemt niemand op. Natuurlijk. Ik probeer mijn vader. Na amper een tel hoor ik zijn zware stem aan de andere kant van de lijn.

‘Dag jongen.’

‘Papa.’ Mijn kin trilt. Ik voel dat ik huil.

‘Ja?’ Ik hoor hoe hij van zijn koffie slurpt.

‘Papa, ze is er niet meer.’

‘Rustig. Wat bedoel je?’

‘Lisa.’ Mijn stem slaat over. ‘Ze is er niet meer.’

‘Wat wil dat zeggen?’

‘De politie heeft haar gevonden.’

Dat is het moment waarop ik breek. Mijn ademhaling schiet de hoogte in en ik begin ongecontroleerd te huilen. Dit gebeurt allemaal echt. Ik beeld het me niet in en ik zit niet vast in een droom. Het blijft even stil aan de andere kant van de lijn. Mijn tranen lopen dwars over mijn wangen naar mijn lippen. Met het puntje van mijn tong lik ik aan mijn lippen.  Ze proeven zout.

            ‘Zeg me waar je bent, ik kom je halen.’ Ik hoor de ontsteltenis in zijn stem en begin nog harder te huilen. Ik dacht dat vaders alles voor hun kinderen konden oplossen.

 

 

****

Welke douchegel ik wilde gebruiken. Dat is het laatste wat ik me kan herinneren van mijn oude leven. Ik had het rode en het witte busje geopend om afwisselend aan beiden te ruiken. Harde stralen stroomden over mijn kruin. Ik weet nog dat ze allebei zoet en vrouwelijk roken, net als Lisa. Ik koos uiteindelijk voor de rode en zeepte me grondig in. Ik weet niet meer juist hoe laat het was, alleen dat ik nog tijd genoeg had om rustig te douchen en te ontbijten.

Ik was die ochtend nog in een halve slaaptoestand geweest toen Lisa was vertrokken. Ze zou naar een congres in Nederland gaan en was heel vroeg opgestaan. Ze had me niet willen wekken, maar ik was wakker geworden van de dichtslaande deur. Tot straks lieverd, had ik nog geroepen. Ze had niet meer geantwoord. Toen ik wist nog niet dat straks nooit meer zou komen. Achteraf bleek dat er helemaal geen congres was, maar dat ze een dag vakantie voor zichzelf had genomen. Ze had alles tot in de puntjes geregeld. Zoals altijd.

Ik had al die tijd geen idee waar ze mee bezig was. Hoe ze zich gevoeld moet hebben. Hoe en wanneer ze dit allemaal was beginnen plannen. En waarom. Papa zegt dat we dat nooit zullen weten en dat ik mezelf niet verantwoordelijk mag voelen. Ik wou dat ze me had betrokken. Of dat ze me desnoods mee zou genomen hebben. Alles om maar niet alleen te moeten achterblijven.

 

****

 

Op de poster staat een knappe oudere man met een brede glimlach.  Zijn haren zitten onrealistisch perfect in model. Hij steekt zijn rechterhand naar me uit. ‘Wij geven u het bijzondere afscheid dat u verdient’, staat in vette letters boven zijn hoofd gedrukt. Ik heb zin om over te geven. Er zitten nog vier andere mensen in de wachtruimte. de jonge vrouw links van me heeft haar blik strak op de punten van haar pumps gericht, de corpulente man in een trainingspak over me bladert door een magazine dat hij van de tafel heeft genomen. Zijn luide ademhaling vult de hele wachtruimte. Ik kijk naar mijn eigen handen terwijl ik zacht met mijn vingers op mijn dijbenen tokkel. Mijn billen plakken door mijn broek heen tegen het stalen zitvlak van wannabe design stoel. Ik heb het koud.

            ‘Meneer De Bruyn?’ Mijn naam wordt afgeroepen door een knappe jonge vrouw in de deuropening. Geen idee waar ze plots vandaan komt. Ik knik en loop achter haar aan een smalle glazen gang door, tot ze me een kantoorruimte binnen leidt.

            ‘Gaat u rustig zitten, meneer. Kan ik u iets te drinken aanbieden?’ Alweer diezelfde smakeloze stoelen. Ik schud geluidloos mijn hoofd en neem plaats aan haar bureau. Ze schenkt toch een glas water voor me uit.

 

*******

Binnen 4 minuten is de tram er. Er staan nog een hoop andere mensen te wachten op het perron. Ik heb het onbehaaglijk warm in mijn jas, ook al schijnt de zon vandaag niet.

Het handvat van het plastieken zakje snijdt in het vel van mijn vingers. Mijn handen zweten. Ik open het zakje en neemt het donkergrijze potje in mijn linkerhand. Het voelt koel aan.

Of ik graag een beetje van haar assen mee naar huis zou nemen, hadden ze gevraagd. Als aandenken. Ik vond dat een raar idee, maar durfde geen nee zeggen. Het aanbod afslaan zou onverschillig overkomen, dacht ik. Dus sta ik hier met een plastieken zakje in mijn linkerhand.

Links van mee zijn twee zwarte mannen hevig in gesprek. Ze praten luid en gesticuleren met veel animo, zonder op te merken dat ik naar hen kijk. Aan de overkant van het perron staat een jonge vrouw met een volle boodschappentas te wachten. Ze heeft een draagdoek om haar buik gebonden en kijkt verveeld naar de stoep terwijl haar hand op het hoofdje van haar baby rust. Nog wat verder staat een jong meisje, hoogstens een jaar of tien. Zouden ze aan me kunnen zien hoe ik me voel? Zou mijn gedrag verraden dat ik een dode in een plastiek zak draag?

Het lijkt alsof ik elk moment betrapt zou kunnen worden op iets waar een flinke straf op staat. Alsof ik net een bank heb overvallen en de volledige buit in mijn tas draag. Terwijl de wereld om me heen nietsvermoedend en meedogenloos verdergaat, weegt de kostwaarheid van het zakje zowel op mijn lijf als mijn gemoed. Ik moet extra voorzichtig zijn. In een flits zie ik mezelf struikelen struikel en de assen van mijn overleden vriendin per ongeluk over het voetpad heen strooien.

Mijn overleden vriendin. Dat klinkt onwezenlijk. En toch is het waar. Ze is overleden. Ze is ook mijn vriendin. Tenminste, ze was mijn vriendin, tot ze besliste dat ze dat niet meer wilde zijn. Tot ze besliste dat ze helemaal niets meer wilde zijn. Een paar dagen geleden kroop ze ’s avonds in bed nog tegen me aan met haar warme lijf. Ik had haar billen en haar buik geaaid en haar goedenacht gekust. Ik dacht dat alles ok was. Nu houd ik haar in mijn linkerhand. Een koud stalen doosje in een verfrommelde plastieken zak. Zou ze zeker een minachtende opmerking over die zak hebben gemaakt, moest ze hier zijn geweest. Maar ik was niet op de vraag voorbereid geweest, en iets anders had ik niet op zak.

De tram komt aan met piepende remmen. Het is een oud model, met harmonicadeurtjes en een vuil trapje. Ik wandel door tot de achterkant van het perron, neem de laatste ingang van de tram en loop naar de achterste zitbank. Er loopt niemand meer achter me. Op de stoffen bekleding van het zitje plakt een vlek van een uitgesmeerde kauwgom. Ik sla mijn jas dicht en ga toch zitten, met het zakje op mijn schoot. Het stalen potje heeft de grootte van een koffietas en weegt verrassend veel voor zijn omvang. Ik heb geen idee wat ik ermee moet. Waar ik het moet zetten. Misschien is het beter de assen uit te strooien in de tuin en er een boom op de laten groeien. Kersen, dat at ze graag. Maar zouden haar ouders dat wel op prijs stellen? Of hebben die hun eigen potje meegekregen? En als ik haar uitstrooi in de tuin, gaan de assen dan niet gewoon vliegen in de wind? Er zit een krop in mijn keel.

Mijn linkerhand glijdt werktuigelijk in het zakje en sluit zich als een bankschroef om het potje heen. Het gladde, koele staal heeft iets erotisch. Ik moet het openmaken. Ik heb een aanwijzing nodig. Dat dit werkelijk is wat er van haar overblijft. Dat dit alles is wat er van haar overblijft. Ik moet het voelen. Misschien kan ik me dan bij haar beslissing neerleggen en verdergaan waar ik gebleven was. Of opnieuw beginnen.

Zouden ze me het daarom hebben meegegeven? Als bewijsmateriaal. De enige manier om de realiteit te vatten en de waarheid onder ogen te zien. Om haar in leven te houden of te herdenken. Het lijkt wel een rekwisiet uit een Harry Potter-film.

Traag draai ik het deksel open en breng ik het potje naar mijn neus. Ik had ergens gedacht een verbrande geur te zullen herkennen, maar het ruikt helemaal nergens naar. Voor ik het goed en wel besef, verdwijnt de wijsvinger van mijn linkerhand in de donkergrijze massa. De aanraking van mijn vingertop met de as voelt fluweelzacht, bijna sensueel. De fijne samenstelling kraakt tussen mijn vingers als verse sneeuw. Een koude rilling kruipt langs van mijn staartbeen omhoog langs mijn ruggengraat en nestelt zich in mijn fontanel. Een nieuw soort opwinding maakt zich van me meester. Ik duw mijn wijsvinger opnieuw omlaag in het potje en blijf die hypnotiserende handeling herhalen tot ik zeventien haltes later plots besef dat dit mijn stop is.

 

 

Thuis zet ik het potje met een metalige klik op de tafel. Het past hier niet. Het strakke staal past niet in ons warme, huiselijke appartement. Het appartement dat we samen zo zorgvuldig hebben ingericht. Dat doordrongen is van haar aanwezigheid en van haar geur. Het klopt niet. Met mijn jas en schoenen nog aan ga ik aan het bureau zitten en probeer een paar keer tevergeefs de krop in mijn keel weg te slikken.

Ik sla mijn laptop open en google ‘Hoe menselijke assen bewaren’ Blijkbaar kan ik een diamant laten maken van het stoffelijk overschot. Of in een dildo bewaren, moest ik een urne te saai vinden. Ik staar enkele minuten voor me uit, op zoek naar een passende oplossing. Zelfs het internet kan me niet helpen. Ik zucht, wandel naar de keuken en schenk een glas frisse cola voor mezelf in. En dan weet ik het. De enige plek waar ik minstens drie keer per dag met haar aanwezigheid geconfronteerd word, maar waar ze niet de hele kamer naar zich toe zuigt. Ik neem het potje van de tafel, bekijk het een laatste keer langs alle kanten en zet het dan in de deur van de ijskast, naast de eieren.

 

Geschreven door Annelies Leysen op 05/03/2019 - laatst aangepast op 05/03/2019

  • proza
  • autobiografisch schrijven
  • non-fictie
  • flitsverhaal
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home