En ik leefde nog lang en ongelukkig. Sneeuwwitje niet.

Terug naar het overzicht

 ‘Ik herhaal nog eens mijn vraag, mevrouw. Waarom? Probeert u eens uit te leggen wat u gedreven heeft. We willen u graag begrijpen.’

 

Ik keek naar de spiegel boven de wastafel in de hoek van het bureau. Zonder het hoofd af te wenden vroeg ik hem: ‘Gelooft u in sprookjes, inspecteur?’

 

Leroy en ik hadden het zo goed kunnen hebben. Toen ik hem ontmoette, vertelde hij me meteen over zijn 8-jarige dochter. Zijn prinsesje, zijn hele koninkrijk, zijn alles. Ik had het toen al moeten snappen, want naast “alles” is er immers nog maar één plekje vrij, namelijk “niets”. Mijn idealisme en mijn blinde verliefdheid vertroebelden veel te lang de onuitspreekbare waarheid: Bianca was een rotkind, verwend door iedereen die zich liet inpakken door haar mooie praatjes.

 

Niet dat ik het niet geprobeerd of vlug opgegeven heb, integendeel. Ik sloofde me uit om haar te leren kennen, om “een diepgaande en langdurige verbinding te creëren” zoals het in de zelfhulpboeken stond. Zo simpel als wat: je werkt samen aan moeilijke puzzels, je wast en kamt liefdevol haar haren, je kleit samen kunstwerken, troost haar na een nachtmerrie, en hop, daar komt de diepgaande en langdurige verbinding. In werkelijkheid bleek net ons samenleven de puzzel te zijn, werden er meer knopen gelegd dan ontward en modderden we vooral maar wat aan. Mijn leven werd stilletjes aan de nachtmerrie waarin niemand míj kwam troosten. Op Leroy moest ik al helemaal niet rekenen. Hij was dolgelukkig dat zijn kleine meid een nieuwe mama had, blind voor haar en mijn onbehagen. Hij keek dus liever weg, liet zich opslorpen door zijn werk en scheepte me af met flauwe pedagogische dooddoeners. ‘Geduld, ze meent het niet, je ziet het te donker, …’.

En zo bleef ik, eigenlijk tegen beter weten in.

 

Achteraf gezien begreep ik dat het incident in het bos een eerste stille waarschuwing aan mij, de nieuwe binnendringer, was. We hadden een uitstapje gepland naar de Kasteelbossen, maar Leroy moest last minute afhaken omwille van een zoveelste dringend probleem op het werk. Ik liet het niet aan mijn hart komen: de picknickmand was gemaakt, het was prachtig herfstweer en ik kon Bianca wat beter leren kennen, zonder Leroy. Tot en met de picknick ging alles prima. We zouden nog een grote wandeling maken, maar daarvoor wou ik liever de mand terug in de auto zetten. ‘Ik wil niet. Ik blijf hier op jou wachten.’ Ik twijfelde. Tot aan de parking was het slechts twee, misschien drie minuutjes stappen. Zou ik het wagen? Bianca won. Ik haastte me naar de auto en liep nog sneller terug. Geen Bianca te zien. Ik riep haar naam, draaide me om en om, bleef roepen, liep heen en weer tussen de parking en de picknickplaats. Een wandelaar vond haar rode wantje. Mijn hoofd tolde. Nu moest ik wel de politie en Leroy bellen. Uiteindelijk vonden we Bianca, ineengedoken in een gracht, huilend en trillend. Toen ze ons hoorde, sprong ze op, klampte zich vast aan Leroy en gilde dat ik haar in het bos had achtergelaten. Ze was bang geworden voor jagers en had zich daarom verstopt. Ik probeerde uit te leggen wat er gebeurd was, maar Bianca bleef er maar doorheen ratelen. Ik kon me niet schuldiger voelen. Ik stak mijn hand uit om haar wang te aaien, maar ze draaide haar hoofd met een ruk weg. Ze pakte Leroy nog wat steviger vast en keek me over zijn schouder aan. Heel even grijnsde ze, voor ze haar hoofd in zijn hals vlijde.

 

De eerste keer dat ik echt bewust aanvoelde dat dit kind me zou breken, was Bianca ongeveer 10 jaar. Ze hield ervan zich te schminken. Geen probeersels met goedkope rommel, zoals haar leeftijdsgenootjes, maar zich echt opmaken, zoals ze mij zo vaak had zien doen in de badkamer. Ik vond het niet fijn dat ze altijd rond me kwam hangen als ik me maquilleerde, maar goed, het waren de enige momenten waarop ze minder vijandig leek. Dus zo stonden we op een dag beiden voor de spiegel, klaar voor een ingebeeld feest. Mijn dure lippenstift was afgebroken, de verschillende kleuren oogschaduw waren vermengd tot één bruingrijze vlek en het mascaraborsteltje lag op de grond. Het maakte niet uit. We waren al twee volle uren aan het werk en nog was er geen onvertogen woord gevallen. Ik verheugde me op de blik van Leroy, als zijn dochter hem met rode wangen van opwinding zou vertellen hoe fijn we het deze middag hadden gehad, hoe die plusmoeder van haar toch ietwat meeviel. Bianca draaide wuft in het rond, de ogen gesloten, haar lange, donkere haren wijd uitwaaierend als een aureool rond haar prachtige gezichtje. Ik voelde ineens een flard medelijden door me schieten. Dit meisje, haast nog een kind, moest zich zo verscheurd voelen in deze situatie. Ik wou haar tegen me aan trekken, haar knuffelen en zeggen dat het vast allemaal goed zou komen toen ze stokstijf bleef staan, net toen ze voor de spiegel draaide. Ze opende haar ogen, die me via de spiegel vast priemden. ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste van het land?’ Haar ijskoude ogen losten me geen seconde. ‘Jij natuurlijk, liefje, dat ziet toch iedereen?’ zei ik verbouwereerd. Ze bleef me strak aankijken zonder te knipperen. ‘Denk maar niet dat je papa zult krijgen!’ en ze huppelde de kamer uit. ’s Avonds glunderde Bianca terwijl ze Leroy vertelde hoe ik haar al mijn dure make-up had laten gebruiken, hoe mooi ze was dankzij mij. Teder streelde hij haar over de haren, drukte een kus op haar voorhoofd en fluisterde me toe: ‘Zie je wel dat het zal lukken.’ Ik perste een glimlach op mijn gezicht.

 

Ik capituleerde toen ze 12 was. Bianca had haar vader de oren van het hoofd gejammerd om een dwergkonijntje. Het finale argument ‘Je moet zoveel werken, papa, en ik ben daardoor altijd alleen’ verbrijzelde al mijn tegenargumenten en meteen ook definitief mijn bestaan in dit gezin: ik was godverdomme de ganse tijd thuis bij haar. Leroy geloofde dat het zorgen voor een dier haar verantwoordelijkheid en respect voor mijn inbreng in het gezin zou opleveren. Domme, naïeve Leroy. Eens Sunny en Bunny – ‘want eentje is zo zielig, papa’ – dankzij een feilloos werkend instinct hun afkeer voor het baasje hadden getoond door keihard in haar hand te bijten, werden ze uiteraard mijn verantwoordelijkheid. En aangezien Bunny een vrouwtje bleek te zijn, had ik kort daarna naast een plusdochter ook nog eens zeven plusdwergkonijnen onder mijn hoede. Bianca keurde ze maandenlang geen blik meer waardig, totdat de beesten besloten dat er fijnere plekken moesten bestaan dan bij dit koude kind. De hele familie konijn had in een gezamenlijke inspanning een meter lange gang gegraven, onder het gaas door, de vrijheid tegemoet. Zoals ik vreesde, flipte Bianca volledig op het verlies van haar “dwergjes”, en werd de ontsnapping in mijn schoenen geschoven. Ik wilde haar net fijntjes vragen hoeveel “dwergjes” er precies verdwenen waren, zeker als ik was dat ze het antwoord niet eens zou kunnen geven, toen Leroy me met een geïrriteerde frons vroeg of ik dan echt niets had gezien, de dagen ervoor. Te verbluft om weerwerk te kunnen geven, mompelde dat ik er eigenlijk niet op had gelet, maar dat… Leroy liet me niet uitspreken, schoof zijn arm onder die van zijn snuffende dochter en begeleidde haar zachtjes naar binnen. Ik wou op dat eigenste moment een dapper dwergkonijn zijn, in plaats van mijn zielige zelf, niet eens in staat om een balorige puber op haar plaats te zetten of haar vader ondubbelzinnig voor mij te laten kiezen.

 

De finale doodsteek kwam enkele weken later. Ik had appeltaart gebakken als dessert voor het bezoek dat we die avond zouden ontvangen. Cakedeeg met appels in grote stukken, liefst niet al te zacht gegaard. Zo had Leroy het graag. De taart stond af te koelen op een rooster. Bianca kwam de keuken binnen, liet haar rugzak vallen en nam een mes. ‘Bianca, dat is het dessert voor vanavond, ik zou liever hebben dat je …’. Zonder me aan te kijken of ook maar één seconde te aarzelen, liet ze het mes zakken in de taart. Ze sneed er een groot stuk uit en propte het in haar mond. Enkele brokken vielen op de net gedweilde vloer. Bianca draaide zich naar me toe en keek me uitdagend aan, terwijl haar kaken langzaam kauwden. ‘Beetje dwoog, zal papa jammew vinden. Misschien is de andewe kant betew.’ Ze nam opnieuw het mes en wou de taart aan de andere kant aansnijden. Plots hield ik het niet meer. Ik schoot vooruit, sloeg haar vol in het gezicht en probeerde het mes af te nemen. Bianca schrok, maar gaf zich niet zo snel gewonnen. In het geworstel sneed ik haar per ongeluk in de hand, waarop ze achteruit deinsde, over haar eigen rugzak viel en languit op de grond belandde. Ze kokhalsde, greep naar haar keel en probeerde te hoesten. Ik zag blinde paniek op haar gezicht, op dat mooie, witte snoetje dat nu een blauwige schijn kreeg. Ik krabbelde overeind en ging tegen het aanrecht staan, het mes in mijn hand, als een lijfwacht voor mijn taart. Ik keek haar onbewogen aan en zei ijzig kalm:  ‘Stik erin, ellendig kind’, net op het moment dat Leroy, waarschijnlijk gealarmeerd door ons lawaai, de keuken binnenkwam. Hij keek naar Bianca, happend naar afwezige lucht. Hij trok haar overeind, liet haar naar voren buigen, duwde zijn vuisten onder haar middenrif en duwde dit in één ruk omhoog. Na drie pogingen rochelde Bianca er een stuk appel uit. Hoestend zocht ze steun tegen een kast. Leroy stormde de keuken uit om de hulpdiensten te verwittigen. Langzaam hief Bianca haar hoofd omhoog. Haar bloeddoorlopen ogen straalden pure haat uit. ‘Jij gemene heks’, siste ze me toe. ‘Dit vergeef ik je nooit. Ik ga aan iedereen vertellen dat je geprobeerd hebt om me te vermoorden. Zeker aan papa. En voor wie denk je dat hij zal kiezen?’

 

Uiteraard niet voor mij, dat wist ik ook wel.

 

Maar dan ook niet meer voor haar.  

 

Geschreven door Ze schrijft. op 02/04/2019 - laatst aangepast op 08/04/2019

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home