Ergens begon de verwijdering.

In het jaar voor mijn huwelijk, denk ik. Mijn moeder vond het vreemd dat ik voor de herder koos en niet eens twijfelde. Ze wist niet dat ik al maanden op hem had gewacht. Dat mijn hart wild tekeer was gegaan, elke keer als ik onze voordeur voor hem opendeed. Dat ik hem wel eens bij Amparo's vader, de barbier, op de scheerstoel had zien zitten en dat ik daar verdoken naar was blijven kijken. Ze probeerde me op andere gedachten te brengen, maar er waren geen andere gedachten. In mijn hoofd leefde enkel het vooruitzicht op een huwelijk, een man, kinderen, een leven in een huis op een berg.

 

Na een tijdje leek ze zich te verzoenen met mijn keuze. Ze ontwierp winterkleren voor mij, ze zag erop toe dat ik een volledige uitzet had.  In dat najaar en die winter zaten we vaak aan tafel te naaien. Overdag schoven we de tafel bij het raam. ’s Avonds schoven we haar dichter bij de kachel en werkten we bij het licht van een olielamp. Bij daglicht deden we het fijne werk: het ineenzetten van blouses en rokken, het borduren op kragen en manchetten. ’s Avonds deden we de zomen. Op de kachel stonden verschillende strijkijzers. De kamer rook naar dampend katoen.

Op de grond stond haar bruidskist, een eikenhouten kist met ijzeren beslag. Daarin legden we de afgewerkte stukken: een paar fijne lakens met geborduurde randen en kussenslopen, handdoeken en zakdoeken, een wollen rok, twee blouses, een wollen vestje en een cape. Een nachthemd met fijne plooitjes aan de hals. Delphine en Marie werkten mee en mochten tussendoor ook voor zichzelf naaien. Pas als de kist gevuld was, naaide mijn moeder jurken voor mijn zussen en een voor zichzelf.

 

In de lente zouden we er allemaal nieuw uitzien.

 

(Fragment uit Colombe, blovel: https://colombes.blog)

Geschreven door Christine Van den Hove op 09/05/2019 - laatst aangepast op 16/05/2019

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home