Aan de rand van het ven staat mijn vader. Hij houdt zijn hand vlak boven zijn wenkbrauwen en zijn ogen springen als een watervlooi over de speeltuin uit zijn jeugd.

  ‘Vroeger zwom ik hier,’ zegt hij, ‘en ving ik salamanders.’ Hij zucht. ‘Die zitten er niet meer.’ Vanaf zijn ouderlijk huis zijn we zwijgend naar deze plek gewandeld. Een afstand van krap zeventig jaar. Nog één keer wilde hij zijn geliefde vennetje zien.

  Ik neem een hap adem en in mijn hoofd vormt zich een zin van levensbelang: Dankjewel pa, voor het zijn van mijn vader. Hij zal mijn uitgestoken hand beetpakken en de woorden fluisteren die hij al zolang bij zich draagt: ‘Zoon, ik ben trots op je.’

‘Kijk! Daar gaat er een!’ roept hij. Zijn lippen krullen en op zijn wangen verschijnt een lichtrode blos. Laat maar zitten denk ik. Ik schrijf het thuis wel op.

Geschreven door Pinguino op 14/05/2019 - laatst aangepast op 14/05/2019

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home