Zijn vlakke hand vond op enkele seconden de weg naar mijn billen. Ik had nochtans mijn uiterste best gedaan om de toegang tot mijn lichaam dicht te metsen. Mijn grijze wollen trui was zo oversized dat er wel zes kinderen verstoppertje onder konden spelen. Ik had deze zorgvuldig langs alle kanten in mijn jeans gestopt, nergens was nog een bloot stuk van mijn bovenlichaam te zien. Mijn mouwen waren lang, net als mijn broekspijpen. Mijn haren waren ongewassen en zelfs ik kon de geur van dat zielige pierenverdriet met moeite uithouden. Toch, vond hij een toegang.


Ik had eerder die dag een vreemde confrontatie gehad met mijn oerinstinct. Het was geleden van een slecht gekoelde en daarom bedorven zak ravioli, dat mijn lichaam mij gewaarschuwd had voor een plausibel gevaar. Het voelde alsof ik deze man niet kon vertrouwen. Zijn opdringerige aanwezigheid veranderde mijn lichaamshaar in stekels, maakte een tamme kastanje wild. Het maakte hem ongewild.

Ik vind je vies.


 

Het was half acht ’s avonds. Ik wandelde over het verlengde stuk van de Keyserlei en sleurde twaalf kilo aan boodschappen mee. Hoewel het grootste deel van de inhoud uit groenten en fruit bestond, wogen de flessen water me toch zwaarder dan verwacht. Na enkele stevige passen moest ik telkens mijn boodschappentas van hand wisselen. De handvaten lieten al snel een pijnlijke afdruk op mijn handen na. Mijn gezicht was rood aangelopen en het zweet gutste bijna uit mijn lijf. Mijn winterjas hing wagenwijd open, maar daaronder viel er weinig te zien. Net als mijn jas waren ook mijn broek, trui en schoenen zwart. In de negentiende eeuw had men mij vast een zwart gesluierde dameshoed van krip toegeworpen, met bijhorende zakdoeken om het leed van een twintigjarige weduwe te verzachten. Tegenwoordig zijn éénkleurige outfits deel van een minimalistische levensstijl, maar voor mij was het die dag alleen een veilige keuze geweest.

De wegenwerken op de Frankrijklei belemmerden mijn vertrouwde wandelweg, dus moest ik iets meer naar rechts uitwijken. Met mijn voordeur reeds in het vizier probeerde ik mij een weg te banen langs de chaotische mensenstroom. Het leek alsof een almachtige God vanuit de hemel zijn grote pot met mensen had laten vallen, waardoor iedereen als knikkers uit elkaar rolde.

Wij rolden naar elkaar toe en dat botste.

 

‘Hey, poepeke!’

Ik keek verbaasd naar de man die me aansprak. Het irriteerde mij dat hij het waagde een objectiverende koosnaam te gebruiken, toch besloot ik het te negeren. Ik was uitgeput van het sleuren en had geen energie om hier een scène te maken.

‘Waar ga je naartoe?’ vroeg hij.

‘Naar huis.’

Die twee woorden vlogen zo snel uit mijn mond dat ik niet kon nadenken over de eventuele gevolgen ervan. Ik probeerde me zo snel mogelijk uit de voeten te maken, maar hij blokkeerde het trottoir.

‘Als ik nu eens mee ga? Wat denk je? Ik zal je zware tas helpen dragen en in ruil zullen we daarna… iets leuks doen.’

Hij knipoogde zo vulgair dat ik gal voelde opborrelen.

Ik schatte hem ongeveer 36 jaar, maar het kon ook dat zijn reeds kalende hoofd hem ouder deed lijken. Aan zijn wallen te zien had hij ook al enkele zware nachten achter de rug. Zijn rechterhand reikte naar mijn boodschappentas.

‘Nee, danku. Ik heb geen tijd.’

Ik trok de tas met een kwartdraai naar achteren. Razendsnel zochten mijn ogen naar een nooduitgang.

Ik moest weg van deze man en wel nu.

Ik wurmde me langs een zingende tiener die mij zijdelings passeerde. Een paar meter voor mij zag ik een oud vrouwtje die de richting van mijn appartement opging. Ik haastte mij naar haar toe. Op een of andere manier deed haar nabije aanwezigheid me veiliger voelen.

Ik was nu enkele stappen van mijn voordeur verwijderd. Ik graaide als een halve gare in mijn handtas op zoek naar mijn huissleutels. Ik was bang dat de man mij gevolgd was, dus keek ik achterom. Ik zag wel minstens zes mannen die geen of amper haar hadden. Ik wilde niet treuzelen want ik verlangde naar een veilige plek. Mijn arm dook nog verder de tas in. Eindelijk vond ik de lus van het sleutelkoord waaraan mijn sleutels vastgemaakt waren. Ik opende in recordtijd de voordeur en sleurde mijn zware boodschappentas door het halletje. Toen ik achter mij de deur wou sluiten, werd mijn arm met een agressieve kracht weer naar buiten getrokken.

 

‘Seg, je woont hier schoon precies!’

Zijn hand was ruw en koud. In zijn kastanjebruine ogen zag ik iets kwaadaardigs. De man voelde zich overduidelijk afgewezen. Zijn ego had een knak gekregen en ik mocht daar nu de gevolgen van dragen.

Ik probeerde mij los te wrikken.

‘Laat me los! Zot!’ Ik schrok van mijn eigen stemgeluid.

Ik had zo hard geschreeuwd dat enkele omstaanders ons vanaf een voor hen veilige afstand bekeken. Ik zag hen denken. Sommigen dachten dat dit een huiselijke ruzie was, anderen dachten beslist dat ik dit geweld zelf had uitgelokt. Een enkeling keek bezorgd, maar wandelde daarna weer door naar zijn eigen bestemming. Niemand besloot om hulp aan te bieden.

De kale man voelde zich bekeken. Hij gaf nog een stevige draai aan mijn arm en liet me vervolgens los. Nog een laatste keer keek hij mij strak aan.

‘Vuile slet’ hoorde ik.

Hij spuwde zijn afgrijzen uit, recht op mijn zwarte veterschoenen. Daarna was hij nog sneller verdwenen dan dat hij zich in mijn leven had opgedrongen.

 

 

Elke woensdagvoormiddag zoek ik de rust op in het stadspark. Zo vroeg in de ochtend zijn er nog geen joelende kinderen die achternagezeten worden door hun overbezorgde moeders, duiven worden nog niet van hun wandelpad getrapt en ook de ijskar met bijhorende oorwurm staat nog niet op zijn vaste plaats. Zoals gewoonlijk wandel ik eerst langs de grote waterloze vijver. Daarna kies ik het meest zonnige bankje uit om er te lezen in een boek dat ik eigenlijk al lang had moeten uitlezen.

Daar heb ik hem voor het eerst ontmoet.

Hij was best onvolwassen voor zijn leeftijd. Eens de dertig voorbij zou men toch al iets meer wilde haren verloren moeten zijn, maar hij was nog impulsief en onbezonnen. Hij plofte naast me neer, vroeg me wat ik las en waarom ik het las: twee vragen die bij mij meteen een spraakwaterval activeren.

Dat was het begin geweest van enkele gezellige afspraakjes en late telefoongesprekken. Beiden hadden we veel liefde voor het leven, daar konden we urenlang over kletsen. We deelden de levenservaringen die ons diep geraakt hadden. Ik dacht dat ik hem daardoor voldoende kende, dat ik hem daardoor kon vertrouwen. Snel daarna bleek dat hij moeilijk zijn fysieke driften kon beheersen.


Een paar weken later had ik hem uitgenodigd op mijn appartement. Hoewel we veel raakvlakken hadden, voelde ik toch niet de relationele klik waar ik naar zocht. Ook maakte zijn impulsieve karakter hem enigszins onbetrouwbaar. Ik was hem dankbaar voor de tijd die we samen hadden gespendeerd, maar ik had met hem geen toekomstplannen en dat wou ik eerlijk opbiechten.

Toen ontnam hij mij al mijn woorden.

 

Zijn vlakke hand vond op enkele seconden de weg naar mijn billen.

‘Vince, nee! Ik wil dit niet.’

‘Hoe kun je nu weten dat je me niet wilt, als je me nog niet gevoeld hebt?’ vroeg hij verbaasd.

‘Maar ik wil je niet voelen! Vince, laat me los!’
Hij duwde zijn hand onder mijn billen zodanig dat hij nu ook mijn buitenste schaamlippen kon betasten. Ik probeerde hem weg te duwen, maar hij hield zijn andere arm gekneld rond mijn middel waardoor ik met mijn zwierende armen net een luchtpop leek.

‘Help! Alsjeblieft, iemand?’

Ik schreeuwde de longen uit mijn lijf terwijl ik probeerde hem langs achter een slag te verkopen.

‘Zwijg toch, rund. Geniet liever!’ snauwde hij.

De tranen rolden over mijn wangen.

Ik stampte met mijn voeten op zijn tenen. Dat leek tot mijn grote verbazing zijn effect wel te hebben want hij liet zijn houdgreep even los. Ik greep mijn kans en duwde hem met alle kracht naar achter, zodat hij over de bureaustoel viel en met volle vaart op de grond belandde. Ik snelde naar de deurklink, sloeg de deur open en krijste het uit.

‘Help! Ik heb hulp nodig!’

‘Help mij dan!’

‘Alstublieft!’

Vince, die het benauwd kreeg door mijn hulpkreten, kwam op mij afgestormd. Ik vluchtte naar de gang en hoopte dat er toch iemand van mijn buren in het gebouw aanwezig was. Hij kwam me achterna, maar bleef dan aarzelend in het deurgat staan. Hij leek zijn opties te overwegen. Vervolgens keek hij me aan, met het vuur in zijn ogen, en schreeuwde:

‘Vuile slet!’

Toen rende hij via de andere kant van de gang het appartement uit.

 

Ik had mezelf zo tegen de muur van de gang geplet dat ik het brandblusapparaat in mijn rug voelde boren. Mijn benen trilden als een rietje en konden mij niet meer rechthouden. Tranen stroomden over mijn lijf, vloeiden over elke plek die door hem was aangeraakt, maar konden mijn betastte lichaam niet reinigen.

Dan pas, kwam mijn buurman kijken wat er aan de hand was.

 

 

Ik vind je vies.

Ik voel je overal. Je met kwaad besmeurde handen zijn op mijn lijf gebrandmerkt.


Wanneer mannen mij nafluiten op straat, doen ze dat niet omdat ze me mooi vinden. Ze fluiten omdat ze aandacht nodig hebben. Ze zoeken in hun alledaagse sleur naar spannende momenten met vreemden. Als slechts eenmaal op hun verzoeken wordt gereageerd is dat al een overwinning.

Op de keukentafel ligt mijn houten snijplank klaar. Ik spies jullie één voor één. Eerst hak ik jullie ledematen in gelijke stukjes. Jullie tenen snij ik klein zoals ik dat ook met knoflook doe. Ik doorprik jullie fallussen tot men van jullie edele delen alleen nog kan zeggen dat ze geslacht zijn.

Dan rasp ik jullie spieren fijn, verlam jullie lijf. Jullie ogen snij ik in vieren en gooi ik daarna de blender in. Nooit meer zullen ze onsubtiel uit jullie kassen vallen bij het zien van half-bloot of zelfs bedekt vlees. Jullie onbruikbare hersenen deponeer ik in de vuilbak. De satéstokjes laat ik weken in uw van kwaad doordrongen bloed, zodat ze bij het bakken zeker niet aanbranden. Ik rooster de satés in mijn grillpan, zo’n zeven minuten, tot ze sudderen in hun eigen vet.

 

 

Het is zaterdagavond. Ik ben onderweg naar het station van Antwerpen-Centraal. Het is koud en ik blaas kleine wolkjes boven mijn roze sjaal. Bij mij heb ik een koffer vol ballast. Ik rol hem naast mij mee alsof hij niet zwaar weegt. Mijn haar heb ik in een slordig dotje bijeengebonden. Het waggelt heen en weer bij elke stap die ik zet. Ik wandel snel, want ik ben bang. Elke schaduw rondom mij wordt vanuit mijn ooghoeken gescand en gecategoriseerd volgens het bijhorend gevaar. Elke persoon die mij verdacht lijkt, daar loop ik met een boog omheen. Mijn groene hoofdtelefoon pronkt op mijn oren, maar in tegendeel tot wat voorbijgangers denken staat mijn muziek niet aan.

In tegenovergestelde richting komt er een groep fietsende jongens aan. Ik zie ze wellustig naar mij kijken, dus ik werp mijn blik omlaag. Een van de jongens stopt vlak voor mijn voeten, tuit zijn lippen en kust de lucht alsof hij zijn kat aan het roepen is.

Daar is Vince weer, denk ik bij mezelf.

Ik zie hem veel te vaak en het laat me niet los. Hij lijkt zich te vermenigvuldigen in menig respectloze onderdanen, zodat hij iedereen kan raken.

Ik kijk niet op, ontwijk de fiets en wandel nog sneller. Hij denkt vast dat ik hem niet gehoord heb.

Ik loop mezelf voorbij. Mijn glimlach is verdwenen, mijn blik verhard. Zelfs de toch nog vriendelijke bedelaar moet er aan geloven. De vernedering zal blijven en de pijn gaat niet weg.

Niet vooraleer de satés eindelijk op tafel worden gebracht.

Geschreven door Nisa Clemens op 20/05/2019 - laatst aangepast op 20/05/2019

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home