In de trein had ik de deur van het toilet al vier keer dichtgedaan toen het meisje naast ons kwam zitten. De ene na de andere onverlaat weigerde om de deur te sluiten na een bezoek aan het rijdende kleinste kamertje. Ik keek telkens op de toiletpot die eruitzag als een exemplaar uit de gevangenis. “Daar zit je toch ook niet op je gemak”, zei ik tegen mijn vrouw. De grap werd met een licht grijnzen onthaald. 

 

Het meisje droeg oordopjes die men in de volksmond gemakshalve dezelfde naam geeft als het lichaamsdeel waar men ze insteekt. Oortjes. Deze kenmerkten zich omdat ze zonder draad met haar telefoon verbonden waren. Het blijft een gek zicht. Och, als men over pakweg tien jaar een exemplaar draagt met draadjes, heeft men ook bekijks. “Het kan verkeren”, fluisterde ik tegen niemand in het bijzonder.

 

Het meisje zat amper toen ze een grote zak chips uit haar rugzak haalde. De combinatie van de oortjes en het eten zorgden voor een waar klankspel. Want als je het gehoor uitschakelt, ga je automatisch luider spreken. En eten. "Waar zijn die oortjes als je ze nodig hebt", zei ik. 

 

Bovendien was ze snipverkouden. "Wist je dat een neus vroeger bekend stond als een snotkoker", probeerde ik tevergeefs de aandacht af te leiden. Na een tiental keer zeer luid het neusvocht terug op haar plaats gebracht te hebben, greep ze eindelijk naar enkele papieren zakdoekjes. Er volgde een trompetgeschal waar menig klaroenblazer jaloers op was geweest. "Het ergste moet nog komen. Doe het alsjeblieft niet", zei ik. Mijn smeekbede leidde tot niets. Ik had mijn hoofd veiligheidshalve omgedraaid, maar in de weerspiegeling van het treinraam zag ik het meisje toch naar het resultaat van haar gesnotter in de papieren zakdoekjes kijken.

 

Gelukkig stond de deur van het toilet open.

 

Geschreven door Rudi Lavreysen op 17/06/2019 - laatst aangepast op 17/06/2019

  • column

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home