Wetende waar de steegjes uit bestaan doe ik het raam dicht.

Zodat weten weten blijft,

Ik weet ze wel te vinden

en lik me de verwaande

lippen van de zinnen,

mijn handen sluiten aan en worden dingen.

 

De lucht oogt clandestien. In dit oord kan ik ademen.

Twijfel sluipt door weinig heen; mij binnen.
De huizen branden in kamers.

De stad biedt een zwart gat aan waanzin en wikt de woorden.

 

Wat ze zeggen blijft je bij, niets is je nog onbekend

en blijft in je hangen, zo bestaat de plek in jouw plaats.

 

En al wie nee zei wilde ik ter plekke namaken.

 

Hij sloot zijn ogen de bewoner en maalde er niet om, hier kon hij wel wonen en hij sloot de ogen meermaals voordat hij ze sloot, dit is wat hij nog zag, hij lag in de kou de vrouw te verdragen want die zijn er hier in overvloed in de schemering van schermen licht waarin alles ademt en gaat, en hij sloot meermaals zijn handpalmen tot ogen en zijn rug keerde hij tot bolletje en zijn lichaam, dit spreekt voor zich vroeg hij zich of hij wel deugde bij de medemens maar wat kan hij nog spreken als hij zichzelf niet ziet? Nee aan de verbreding van de gang die zijn gang gaat in stilte, dit is wat hij het liefst tegen de stroom in zegt zodat weinig nog vanzelfsprekend baat en zijn ogen laat hij hoe hij ze laat: verlaten en verder:

 

Nee aan de man,

omdat hij alles al zal,

omdat al die zal al valt

bij de minste straat die schoongeveegd

de kuisheid zwaarder maakt

maar minder kon je niet verwachten in het gat waar de liefde al in viel.

 

7 keer 7 op 7 bestaat de stad opnieuw en opnieuw en

 

dit weten we: wat we spreken in strokende woorden met ambacht bereik je toch alles al?
Herhaling in verval.

Niemand die nog iemand zwaait.

Herkenning die we koesteren in de woelige dag die de nacht verprutst.
Licht speelt hier een rol die ademt.
Ik zet de plaat op waar ik op zit en weeg de klank.

De conclusie laat weinig onduidelijk:

 

Ik heb geen alter ego meer.

 

Mijn naam is een plek en mijn standplaats een vriend

die angst onder de rode arm draagt, rood

van het zwoegen en de inspanning toont zich

in de laatste uren vrijheid, die is keurig

en die is aanwezig.

Meer moet er niet voor ons.
Wij weten weinig en dat maakt ons in de meerderheid.

 

Ik ben je al lang kwijt.

In de binnenkant van het lichaam dat ik al draag

een resem woorden.

 

Wil je groter worden, dan doe je dat zo;

verhuizen en ontwarren die plekken,

de stad verkoopt zich niet.

Waar vond je laatst jezelf waar je zelf was?

Geschreven door Dries Verhaegen op 12/08/2019 - laatst aangepast op 12/08/2019

  • poëzie
  • autobiografisch schrijven

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home