ogen, twee bondgenoten 

in de torenkamer van mijn kop

lenzen van gelei en alles wat beweegt 

op het netvlies, wimpers rillen van de wind 

die je maakt van grillen, blaas geen zand in mijn ogen

maar stuifmeel voor de bloei van het palet

voor de kevers in oogkassen nestelen 

blijf ik de slaaf  van het eerste zintuig

dat figuren laat zwellen en krimpen

tot ik twijfel aan contouren

 

zolang de beelden zwijgen

heb ik vrede met de drilboor

die ik demp door een vlucht 

naar een berghut, boven de boomgrens

ogen, als ik ze sluit verft de nacht 

de droom in ultraviolet en infrarood 

ogen kennen de stilte van een radiostudio

net voor de zender in de ether gaat

 

als ik knipper wordt de zon een stroboscoop 

pupillen regelen het licht, ze voorkomen

dat ik mijn netvlies schroei aan de koplampen 

die je op mij richt, ik moet wegkijken

scherpstellen op de mier in de verte 

of op de muur waar ik vaak tegenloop

Geschreven door Wim Vandeleene op 24/08/2019 - laatst aangepast op 24/08/2019

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home