1       THUIS

Bij ons thuis is de eerste nacht van elke vakantie filmnacht. Dan sleuren we matrassen, donsdekens, kussens en knuffels naar beneden, schoppen we de salontafel aan de kant en maken we onze nest voor één nacht in de living. Ons Lobke –de hond- snapt er niks van.

Vanavond staat The Lion King op het programma dus mogen alle katachtigen meekijken. Dat hebben Max –zeven jaar- en zijn broer Toby –vijf- net samen beslist. Vandaar de verzameling leeuwen, tijgers, jachtluipaarden en panters in hun armen terwijl ze met driftige pasjes op me afgestormd komen. ‘Uit de weg, papa!’ gillen ze opgewonden. ‘We kunnen niet door!’ Ik sta bovenaan de trap, in gevecht met de laatste matras die naar de living moet. ‘Rustig,’ zeg ik, met langgerekte klinkers en zo diep ik kan, als om een tegengewicht te bieden aan hun hoog oplopende stemmetjes. ‘Voorzichtig,’ zeg ik ook nog. Op exact dezelfde toon. Ik zet een stapje opzij. Onmiddellijk trippelen mijn kinderen me hijgend voorbij. En dan gaat het mis.

Toby struikelt over de staart van één van de katachtigen in zijn armen, een grote tijger denk ik, en katapulteert zich zo het gat van de trap in, hoofd vooruit. Handen heb ik –vanwege de matras- niet vrij dus steek ik, in een ultieme poging hem te redden, een been uit. Ik probeer hem te knellen tegen de trapleuning. Helaas, dat lukt niet. Hij duikelt mijn been over en is een fractie van een seconde later helemaal buiten mijn bereik. Ik kan enkel nog toekijken hoe hij, als in slow motion, een koprol maakt over de volledige lengte van de trap. Ik zie hem beide handjes voor zich uitsteken. Het volgende moment ligt hij beneden op de grond. Roerloos. ‘Misschien valt het nog mee,’ flitst het door mijn hoofd, ‘het zag er zo sierlijk uit.’ Een eeuwigheid gebeurt er niets. Dan krabbelt hij recht, gilt zo hard hij kan: ‘Geen pijn! Dikke duim!’ steekt olijk zijn duim in de lucht en begint te schateren van het lachen. De wereld begint opnieuw te draaien.

Ik duw de matras tegen de muur, haast me naar beneden en hurk daar bij Toby neer. ‘Venteke toch! Pijn gedaan?’ vraag ik terwijl ik in de zwarte haartjes rond zijn kruintje kriebel. ‘Knuffel nodig?

‘Nee! Papa! Stop!’ Hij slaat me van zich af. Hij wil dat ik zwijg, want Max spreekt. Die heeft alles zien gebeuren en is zwaar onder de indruk: ‘Wow, Toby!’ gilt hij, ‘What the piep! Precies een echte stuntman!’

Toby glimt van trots.

Nog een keer?’ vraagt Max enthousiast.

Toby haalt de schouders op. ‘Okee.’

Niks van!’ roep ik uit, ‘Veel te gevaarlijk!’ en vervolgens, terwijl ik hen beurtelings streng in de ogen kijk en al mijn wijsvingers en wenkbrauwen de lucht in gooi: ‘Jongens! Dit is ons geheim! Niks tegen mama zeggen. Beloofd?’ Maar ze beloven niets. Ze zijn al weer verdwenen. Ik krabbel dan ook maar recht. Puffend ga ik de trap weer op en sleur ik mijn matras verder naar beneden. ‘All in a day,’ zucht ik.

 

 

*

 

 

 

Ik moet mijn amulet halen,’ bedenk ik me dan, terwijl ik mijn matras in de living naast de andere neerplof, ‘ik kan niet na al die jaren terug naar The Lion King kijken zonder mijn amulet.’ Dus zet ik me op weg naar de zolder. Vanop de overloop van de eerste verdieping zie ik dat Max en Toby zich ondertussen in de speelkamer bevinden. Ze staan met hun rug naar me toe, broederlijk naast elkaar, tussen een gigantische berg knuffels en merken niet dat ik even halt houd om naar ze te kijken.

Nee Toby,’ hoor ik Max zeggen, op een toon die half geïrriteerd, half geduldig is, ‘een kikker is géén katachtige. Dat is een soort vis. Maar dan met poten. Die woont in het water.’ Hij heeft zijn hand bemoedigend op de rug van zijn broer gelegd. Toby kijkt, met hangende schoudertjes, teneergeslagen naar de grond. Hij houdt zijn kikker vast. Hij mummelt iets maar ik kan niet horen wat.

Mijn amulet,’ denk ik, en ik sluip stilletjes verder, de trap op naar de zolder. Daar duurt het even vooraleer ik een haalbare route bepaald heb, maar dan zet ik achtereenvolgens een voet over een paar zakken babykleding, vind ik vervolgens een plekje voor mijn volgende voet door er -terwijl ik me vasthoud aan een verzorgingstafel- een hoop duplo mee opzij te schuiven en stap ik, tenslotte, over een doos houten babypuzzels, middenin een zak, met daarin andere zakken. Zo kom ik uiteindelijk bij een stapel bananendozen die alle hetzelfde opschrift dragen: belangrijke herinneringen. Ik weet onmiddellijk welke doos ik nodig heb. ‘Hoe komt het dat ik dit nog weet?’ vraag ik me af, ‘ze zien er allemaal hetzelfde uit.’ Even later sta ik met een metalen doosje in mijn handen. Ik doe het open. Daar ligt het amulet. Het ziet er nog exact uit zoals ik het mij herinner: Zes veren. In zes verschillende kleuren. Rond elke steel zorgvuldig een ijzerdraadje gewikkeld. En daarmee vastgehecht aan een centrale ring. ‘De kleuren hebben niets van hun intensiteit verloren,’ denk ik ontroerd, ‘zelfs na al die jaren.’ Ik ga zitten op een oude versterker en neem het amulet uit het doosje. Ik voel het in mijn hand liggen. Met mijn wijsvinger streel ik voorzichtig de veertjes. Opnieuw en opnieuw. En net zoals een lang vergeten geur een mens instant kan terugwerpen naar een andere tijd, net zo overrompelt mijn amulet mij, hier op deze zolder, met oud verdriet, en met dankbaarheid. Herinneringen komen daar helemaal niet aan te pas. Mijn hart zwelt en mijn ogen vullen zich met tranen. Ik hoef niet terug te denken aan de gebeurtenissen die plaatsvonden twintig jaar geleden in de fabriek.

 

 

*

 

 

 

Langzaam maar zeker dringt geroep tot mij door: ‘Bert!’ en dan opnieuw, dringender: ‘Bèèrt!’

Dat ben jij,’ realiseer ik me eindelijk met een schok, ‘en je klinkt serieus kwaad.’ Ik spring recht van mijn versterker, struikel de zolder uit en storm de trap af, ondertussen ‘jahaa, ik kom’ roepend. Beneden sta je mij inderdaad op te wachten, met Toby op je arm. Je geeft me onmiddellijk de volle laag: ‘Waar zit jij in hemelsnaam? Onze Toby is hier kei hard aan het wenen!’ Je gebaart naar Toby, die als was het om je woorden kracht bij te zetten, zijn keel nog wat verder openzet. ‘Ik ben in de keuken bezig he! Gij ging op de kinderen letten!

‘Ja, sorry, ik was eventjes op zolder,’ mummel ik ter verdediging en dan, vooral om de aandacht af te leiden: ‘Wat is er aan de hand Toby?’

Max zegt dat mijn kikker niet mee naar de film mag kijken,’ snottert hij. Eerst versta ik hem niet maar dan zie ik de kikker in zijn handjes. ‘Mijn God,’ denk ik bij mezelf, ‘Dit gaat nog altijd over die kikker.

Ja papa,’ verdedigt Max zich, ‘alleen katachtigen mogen meekijken. Dat hadden we afgesproken!’ Hij heeft zijn lichaam op een vreemde manier over de trapleuning geplooid en wiegt ritmisch heen en weer. ‘En een kikker is géén katachtige!’ Die laatste zin gooit hij Toby briesend naar het hoofd. Hij is gestopt met wiegen.

Mijn kikker is wél een katachtige,’ krijst Toby terug, zo hard hij kan. Nu die op jouw arm zit, durft hij duidelijk wat meer.

Jongens! Jongens! Stop!’ roep ik, terwijl ik in een poging de situatie te ontmijnen, tussen hen in ga staan. Ik begrijp wat er gebeurd moet zijn. Bij hoog en laag volhouden dat een kikker een katachtige is, daarmee krijg je Max wel over het randje. Die heeft Toby natuurlijk een enorme klap verkocht. Vandaar dat hij daar zo schuldbewust over de trapleuning hangt te wiegen.

Ik kijk Toby recht in de ogen: ‘Toby,’ zeg ik helder, ‘een kikker is geen katachtige.’ Ik schud begripvol het hoofd. ‘Sorry venteke.’

Jij streelt hem zachtjes over zijn rug.

Zie je nu wel!’ komt Max tussen. ‘Ik zei het toch!’ En hij laat zijn frustratie nog even de vrije loop met een welgemeende ‘echt he!’

‘En ook geen ‘vis met poten’ Max!’ kaats ik onmiddellijk terug.

‘Ow.’ Hij voelt zich duidelijk opgelaten en begint opnieuw over zijn leuning te wiegen.

‘Een amfibie Max,’ plaag ik hem, ‘een kikker is een amfibie. Euh, hallo juf Lies? Is er nog plaats in de eerste kleuterklas?’

‘Ow,’ zegt hij opnieuw.

Ik peil je blik. Even houden onze ogen zich vast aan elkaar. Je lijkt niet meer kwaad. Integendeel. Je probeert met alle moeite van de wereld je lach in te houden. Ik leef op, en richt me dan opnieuw tot Toby: ‘Volgende keer kijken we naar een film van amfibieën schat,’ zeg ik. ‘Beloofd. En dan mag uw kikker meekijken.’

Geen reactie.

‘Toby? Gaat uw kikker dan meekijken volgende keer?’ probeer ik nogmaals.

Helaas, er komt geen antwoord op die vraag. Toby begint opnieuw te huilen, zo mogelijk nog hartverscheurender dan voorheen. En doorheen dat gehuil begint Max hysterisch te brullen: ‘Auw Toby! Stop! Mijn oren! Ik haat jou!’

Opnieuw zoek ik je blik, maar ditmaal geef je niet thuis. En dan, terwijl ik me bedremmeld sta af te vragen wat er net gebeurd is, neem jij het heft in handen.

*

 

 

 

Venteke toch,’ fluister je Toby toe, ‘laat eerst al uw verdriet er maar eens uit. Laat u maar eens goed gaan.’ Toby doet exact wat je vraagt. Je streelt hem over zijn rug.

Terwijl hij, tussen twee uithalen door, eventjes naar adem hapt, kijk je Max aan. ‘Ik weet het schat.’ Je wijst naar je oren en trekt een gek gezicht. ‘Nijp ze toe, dat helpt.’ Max doet wat je vraagt.

‘Amai, Bert, knap hoor,’ sis je mij vervolgens sarcastisch toe, ‘dikke duim!’

Ik trek een zuur mondje en draai met mijn ogen.

Zo staan we daar een hele tijd te staan, tot iedereen uiteindelijk een klein beetje mildert. ‘Komaan he,’ zeg je dan. ‘Het is filmavond. We gaan ons toch niet laten kennen zeker. We vinden wel een oplossing. Daar zijn wij super goed in.’

Iedereen pruttelt wat.

Misschien Toby,’ ga je aarzelend van start, ‘is uw kikker eigenlijk een katachtige, maar dan in de vorm van een kikker.’

‘Wablief mama?’ vraagt Max.

‘Waar wil ze naartoe,’ denk ik.

Toby is gestopt met wenen en luistert aandachtig.

Je kijkt heel ernstig. ‘Er bestaan bijvoorbeeld ook zeehondjes in de vorm van ijsberen’, zeg je, ‘en poesjes in de vorm van konijntjes. Die huppelen dan zo rond in het gras, met oren van een konijn, en zo’n wit staartje en helemaal fluffy. Maar vanbinnen voelen die zich een poes.’

‘Hoe bedoel je mama,’ vraag Max.

‘Dit werkt nooit,’ denk ik.

‘Dat is eigenlijk heel verdrietig,’ ga je door. ‘Die konijntjes willen miauw zeggen en muisjes vangen, maar dat lukt natuurlijk niet. Zo bestaan er ook meisjes in de vorm van jongens. En jongens in de vorm van meisjes. Of schrijvertjes in de vorm van teamleiders.’ Die laatste zin is natuurlijk een sneer naar mij.

En prinsesjes in de vorm van huisvrouwen,’ steek ik terug.

Je doet alsof je me niet hoort. ‘Toby? Zou het kunnen dat uw kikker eigenlijk een katachtige is?’

Toby begint opnieuw te huilen, maar ditmaal een andere soort tranen. ’Ja,’ snottert hij, zielsblij. ‘Een babyjaguar.’

Een babyjaguar,’ herhaal jij. ‘Natuurlijk wil die mee naar de film kijken. Wat is dat nu!’ Ondertussen kijk je niet hem in de ogen, maar mij. ‘Breng hem maar snel naar de andere dieren.’

En weg drentelt Toby.

‘Ja, mama!’ roept Max nu verontwaardigd uit. ‘Dat telt niet he! Ze moeten er ook uitzien als een katachtige!’ Wat een onzin, de tranen springen er hem van in de ogen.

Je legt zuchtend je hand op zijn rug en geeft hem een duwtje richting living: ‘Ik weet het schat.’ Zo wandelen jullie samen, als waren jullie beste vrienden, de living in. ‘Komaan Max,’ hoor ik je zeggen, terwijl ik achter jullie aan hobbel, ‘work with me. Een amfibie meer of minder.’ Nog even tornt hij eigenhandig het gewicht van de wereld en sloft hij verongelijkt naast je, maar dan zucht hij gelaten: ‘Okee dan mama.’

En weg is hij.

Over je schouder kijk je me aan. Triomfantelijk. Je haalt vragend je wenkbrauwen op. ‘Rots,’ zeg ik. En al trek ik nog steeds een zuur mondje, mijn ogen stralen.

 

 

*

 

 

 

Net dan gaat het alarm van de oven. ‘Pizzaa!’ joelen we terwijl we met z’n allen de keuken in hollen. Daar laden we elkaars armen vol met snoepdozen, zakken chips en kommen popcorn. Op filmavond is ongezond voor één keer geen bezwaar.

Max duwt Toby een gigantische kom marshmallows onder de neus: ‘Hier Toby,’ zegt hij geïrriteerd, ‘pak dan!’

Dat gaat niet,’ roept Toby geïrriteerd terug, ‘ik heb mijn kikker al vast.’

Ja, zet die er dan in he,’ roept Max nog geïrriteerder.

‘Ow,’ zegt Toby, en hij zet zijn kikker tussen de marshmallows. We lachen.

Dan lopen we elkaar voor de voeten de living in, en ploffen we uitgelaten neer op een matras. Zie ons daar nu zitten, vier mensen, een hond en twee dozijn katachtigen, waaronder één babyjaguar in de vorm van een kikker, en een poes van vlees en bloed die nu net een schelletje salami van een pizza steelt.

‘Worf!’ gil ik.

Smakelijk eten,’ roept Toby en hij steekt zijn duim de lucht weer in, ‘heel bedankt!’

Dan komt de zon op boven de eindeloze vlaktes van de Serengeti en verstoort, tegen de achtergrond van de machtige Kilimanjaro, een familie buffels de ochtendmist. ‘Aah sevenyaah,’ joelen de kinderen mee. Hun ogen zijn gekluisterd aan het beeldscherm.

Maar in mijn hand ligt nog steeds het amulet en, terwijl ik gedurig de veertjes streel, ontwikkelt zich voor mijn ogen

een andere film.  


2       DE FABRIEK

De fabriek waarin ik een jaar lang verloren liep –dat moet nu twintig jaar geleden zijn- kon symbool staan voor mijn leven. Ik snapte er geen ene moer van. Ik wist niet welke de grondstoffen waren die de heftruckchauffeur –een stugge man die deed of ik niet bestond– op gezette tijden de fabriekshal binnenreed, ik wist niet wat de naam was van de dikke, zilveren brij die we produceerden en ik wist niet wat de bestemming was van de grote, blauwe vaten waarin we de brij uitstortten. Elke ochtend in de kleedkamer ontdeed ik mij van mijn kleren en stapte ik in mijn werkplunje: lelijke schoenen met een stalen tip, een brede, blauwe broek en een grauw T-shirt. Ook mijn naam liet ik achter in de kleedkamer. In de fabriekshal noemde iedereen mij Beire. Ik haatte die naam maar durfde er niets van zeggen.

In de fabriekshal stond een gigantische ketel, zes meter hoog schat ik, waarrond een platform en een trap gebouwd waren zodat iemand de grondstoffen in een opening bovenaan kon kappen. In het begin was die eer mij een aantal dagen te beurt gevallen, maar dat was faliekant fout gelopen. Eerst kwam er dikke, zwarte rook uit de opening bovenaan, wat later ging er een oorverdovend alarm af en het eindigde met brandweersirenes en de evacuatie van het hele bedrijvenpark. Ik had geen idee wat er gebeurd kon zijn maar dat de oorzaak bij mij lag, daar twijfelde ik niet aan. Er werd mij niets gevraagd en ik vroeg niets. Ik werd voor de rest van de dag naar huis gestuurd.

Die dag alleen in mijn appartement keek ik voor het eerst naar The Lion King. En zag een sleutelscène: Terwijl Simba pluk de dag doet met Timon en Pumba –god, wat heb ik een rothekel aan dat achterlijke wrattenzwijn en die irritante stokstaart- verschijnt daar eindelijk ten tonele de ziener Rafiki. Mandril, geen baviaan. Oude knoken, grijze manen. Staf in de hand. Hij komt Simba zoeken in dat holle leven dat het zijne niet is, sleurt hem eruit –‘You follow Rafiki, he knows the way’- en brengt hem naar het water. Maant hem daar, met een klap op z’n kop, tot stilte en gebiedt hem te kijken: ‘Look harder, Simba. You have forgotten who you are. You are more than you have become.’ Ook het oerwoud heeft zijn spiegels. Ik hapte naar adem en weende dikke tranen. En had geen idee van waar die kwamen.

Bizar dat ik toen niet zien kon wat vandaag zo helder is: Die Simba, dat was ik. Ik hunkerde met heel mijn verloren gelopen wezen naar een Rafiki. En een klap op mijn kop.

De volgende ochtend in de kleedkamer repte niemand met een woord over het incident van de dag voordien, maar eens in de fabriekshal stapte iemand anders zwijgend de trap naar mijn platform op. Ik was opnieuw tot de begane grond veroordeeld. Wat ik daar dan geacht werd te doen, werd mij pas duidelijk toen de heftruckchauffeur vanuit het magazijn de fabriekshal binnengereden kwam. Hij denderde met een pallet vaten recht op mij af, veel sneller dan nodig was, en zette het bruut neer, exact waar ik stond rond te lummelen. Ik kon nog net op tijd opzij springen. Ik begreep dat ik tot vatenvuller gedegradeerd was.

Elke ochtend herschiep de heftruckchauffeur de fabriekshal in een bos van vaten, als een woesteling, en de gehele voormiddag hield ik me in dat bos schuil. Ik zeulde een emmer lijm en een stapel etiketten met daarop driehoekige waarschuwingstekens -danger, corrosive- achter me aan en hurkte zo, lijmend, van vat tot vat. Hoog boven mij, op het platform, prepareerde ondertussen iemand anders de zilveren brij. In de namiddag, als de brij klaar was, vulde ik de vaten. Ik manoeuvreerde pallet na pallet naar de onderkant van de ketel, opende de zware afvulkraan die zich daar bevond en keek lusteloos toe hoe de zilveren brij zich in de vaten stortte. Daarna sloot ik de kraan en duwde ik hijgend de loodzware paletten terug het bos in. Maar alvorens ik van start kon gaan met vaten vullen, moest ik een staal ter controle binnendoen. Dat deed ik vlak na mijn middagpauze. Zo leerde ik de verfmenger kennen.

 

 


3       DE INDIERS

Het kot van de verfmenger was eigenlijk een havencontainer –van Maersk of zo- die droogweg tegen een wand van de fabriekshal aangeduwd leek. De container was aan alle kanten wit, maar de zijde gericht naar de fabriekshal bestond volledig uit glas. Binnenin was het zo licht dat het zelfs van hieruit –ik bevond mij aan de onderkant van de gigantische ketel- pijn aan de ogen deed. Ik had net een sliert van de zilveren brij in een aluminium potje opgevangen en zette me schoorvoetend op weg naar het kot. Terwijl ik het bos van vaten doorkruiste, zag ik doorheen de glazen wand de verfmenger duidelijk staan. Hij bevond zich bij een centraal geplaatste ketel en was druk in de weer met wat een elektrische mixer leek. Zoals altijd had hij zijn lange, witte stofjas aan. Ik vroeg me opnieuw af wat ik me al zo vaak afgevraagd had: Wat staat hij daar in hemelsnaam de godganse dag te doen? Wat brouwt hij in die toverketel van hem? En waarom in deze donkere fabriekshal, achter een glazen wand, als een gekko in een terrarium van licht? Later zou de verfmenger op al die vragen antwoord geven. Dan zat ik daar, in het licht van zijn kot, en staarde ik de duistere fabriekshal in terwijl hij, roerend in zijn ketel, zijn vreemde verhalen vertelde. Tot op de dag van vandaag weet ik niet zeker of hij de waarheid sprak, en misschien is dat ook niet belangrijk.

Bij één van die gelegenheden vertrouwde hij me toe wat er in zijn ketel zat. ‘Ik brouw nieuwe kleuren,’ fluisterde hij, met nauwelijks verholen trots, als betrof het een heilige taak.

Nieuwe kleuren?’ vroeg ik.

‘Voor de Indiërs,’ verduidelijkte hij. Hij vroeg me of ik hen ooit ontmoet had.

Ik schudde nee.

De Indiërs waar hij over sprak, waren de twee eigenaars van de fabriek. Ze hadden een gigantisch bureel dat de gehele tweede verdieping van het hoofdgebouw besloeg. Niemand mocht daar komen en ze waren zelf ook zelden daar, omdat ze -dat was algemeen geweten- altijd op zee zaten, op hun zeilboot.

‘Ondoorgrondelijke wezens,’ prevelde de verfmenger, ‘zelfs als ze Engels spreken, zijn ze volledig onverstaanbaar. Als ze ja bedoelen, schudden ze nee en als ze nee willen zeggen, knikken ze ja. Meestal waggelen ze hun hoofd heen en weer in halve cirkeltjes.’ Zonder een zweem van parodie bootste hij hun hoofdbewegingen na. ‘Het komt er op aan,’ drukte hij me op het hart, ‘om met uitgestreken gezicht mee te waggelen, als was het de normaalste zaak van de wereld, en er dan maar op te hopen dat ze geen onraad ruiken.’ Hij liet een stilte vallen. ‘En natuurlijk hebt ge ze nog nooit gezien,’ vervolgde hij op betweterige toon. ‘Ze hebben een privélift. Rechtstreeks van de parking naar het tweede. Ge denkt toch niet dat ze de trap gaan pakken? En dan u daar tegen het lijf lopen zeker?’

Eens per maand moest hij zich melden in dat gigantische bureel, ging hij door, met één enkele nieuwe kleur.

Voor hun zeilboot?’ vroeg ik.

De verfmenger knikte. “Voor hun zeilboot,’ herhaalde hij. ‘Soms heb ik visioenen,’ zei hij. Hij was even gestopt met roeren en staarde in zijn ketel. ‘Dan zie ik ze staan, op het dek van hun boot, de blik op oneindig, onwrikbaar als goden’. Het was meer zingen dan spreken wat hij deed. ‘Geruisloos doorklieven ze de zee, die zich overal rond hen uitstrekt, rimpelloos als een spiegel.’

Ik hing aan zijn lippen.

Hij zuchtte diep, begon opnieuw in zijn ketel te roeren en vertelde verder. De Indiërs gaven hem geen enkele aanwijzing, behalve dat zijn kleur seaworthy diende te zijn, maar daar had hij naar eigen zeggen niets aan. Bijna altijd werd hij koudweg teruggestuurd. ‘Het gekke is,’ mijmerde de verfmenger, meer in zichzelf dan tegen mij, ‘ze hebben altijd gelijk. Nadien zie ik het ook, maar wat ik ook probeer, op voorhand tast ik in het duister.’

De stilte was totaal en het was in die stilte dat ik mijn volgende vraag stelde: ‘Waarom hier? In het zicht van iedereen, achter een glazen wand?’

Daarop lachte hij luid en zei: ‘Als ik heel de tijd op een witte container moet staren, ga ik geen schoon kleurekes kunnen fabriceren hè Beire!’ Ik vroeg me af wat het dan, in die grauwe fabriekshal, was dat hem inspireren moest, maar die vraag durfde ik niet stellen. Wel had ik sindsdien het onbehaaglijke gevoel dat ik in het oog gehouden werd. ‘Misschien is de verfmenger niet de gekko in het terrarium,’ bedacht ik mij, ‘maar ben ik dat.’

Heel soms raakte zijn nieuwe kleur iets in het hart van de Indiërs. Ze kregen dan tranen in hun ogen en omhelsden elkaar, minutenlang, zonder woorden. De verfmenger wees naar een kast waarop zich zes kleine verfpotjes bevonden. ‘Zes zeewaardige kleuren,’ zei hij. Hij beweerde dat de Indiërs dan eigenhandig hun boot overschilderden en hem nadien meetroonden naar een uitzuipbar, om te vieren. Hij beschreef begeesterd hoe daar dan ‘vrouwen als klassieke godinnen zich ontkleedden en de hele nacht lang, tot de zon weer opkwam, met ontblote borsten voor hen dansten.’

Toen ik opwierp dat ik dat een wel heel treurige manier van vieren vond, om zo ver van huis te moeten betalen voor wat gefingeerde liefde, reageerde hij erg boos.

Hij keek me recht in de ogen, met een blik alsof hij van me walgde, en zei: ‘Wat is daar triestig aan, Beire? De éne mens gaat naar een hoerenkot, op duizenden kilometer van huis, en komt daar thuis. En de andere loopt verloren tussen de vaten, in een fabriek achter zijn eigen hoek.’

Maar dat was allemaal later. Nu stond ik met mijn staal in de hand voor zijn deur. Ik had nog nooit met de verfmenger gesproken en stapte onwennig, voor de allereerste keer, zijn kot binnen.

 


4       CHARLOTTE

Toen mijn ogen gewend waren aan het felle licht, zag ik de verfmenger. Hij was als in trance met zijn brouwsel bezig. In alle uithoeken van zijn kot ging hij tubes halen, pigment naar ik veronderstelde. Hij kneep er een beetje van in het mengsel en smeet ze vervolgens op de grond. Dan hief hij zijn zware elektrische mixer in de ketel en begon hij te mengen. Hij had alle moeite om de mixer onder controle te houden. De verfspatten vlogen alle kanten uit. Ik zag ze terechtkomen op muren en meubilair, en langzaam dikke strepen naar beneden trekken. De verfmenger zelf zag er ook bepaald morsig uit. Zijn voorhoofd, zijn wangen en zijn haar zaten onder de vlekken verf. En de lange stofjas die hij droeg was misschien ooit wit geweest, maar was dat al lang niet meer. Elke kleur die hij ooit gefabriceerd had, had daar zijn beslag gevonden, als in een logboek. Het ding moest minstens een halve kilo zwaarder zijn dan toen het nog echt wit was. Nu viel mijn oog op de hoek rechts naast de deur waarlangs ik binnengekomen was. Tientallen beschimmelde schaaltjes met restanten van diepvriesmaaltijden hadden zich daar opgestapeld. In de schaaltjes zag ik onder meer ook koffiepads, broodkorsten en sigarettenpeuken. Misschien bevond zich onder die stapel een vuilbak maar daar was ik niet zeker van. Ik keek rond me en merkte nu pas wat een gigantische puinhoop het overal was. Een orgie van kleuren, en van vunzigheid.

De verfmenger deed alsof hij mij niet had zien binnenkomen. Althans, dat veronderstelde ik, aangezien hij luidkeels -en opmerkelijk toonvast- een passage uit Light my Fire van The Doors te berde bracht. Ik kon mij echt niet voorstellen dat dit toeval was. Dat was natuurlijk om mij te jennen. Ik grinnikte. Ik was al lang blij dat er eens iemand niet deed alsof de gebeurtenissen gisteren niet plaatsgevonden hadden. De verfmenger beëindigde zijn schouwspel met een uithaal van jewelste: ‘Try to set the night on fiiiire. Yeah!’ Bij die laatste ‘yeah’ sprong hij met rood aangelopen kop en verwrongen gelaatstrekken de lucht in. Bij het neerkomen ontwaakte hij zogezegd uit trance en merkte hij mij eindelijk op. ‘Hier se! Firestarter!’ riep hij enthousiast.

Ik wou ‘Hey Jim,’ zeggen, bij wijze van grap, maar durfde dit niet. In de plaats daarvan knikte ik kort, zonder hem aan te kijken.

Seg, hoe lang staat gij hier eigenlijk al?’ vroeg hij, ‘Ik verschiet mij een ongeluk.’

Zonder op die vraag te antwoorden gebaarde ik naar het staal in mijn hand.

De verfmenger veinsde verbazing: ‘Hoe? Gij staat toch op het platform? Sinds wanneer moet gij de vaten vullen? Is er iets gebeurd of zo?’ Het theater was dus nog niet voorbij.

Ik stond er wat bedremmeld bij en wist niet goed wat zeggen. ‘Grappig hoor,’ mompelde ik uiteindelijk, maar te stil om gehoord te worden.

‘Allez,’ zei de verfmenger, ‘ik zal stoppen met u te plagen. Als ge plechtig belooft niks in de fik te steken, zet uw potteke dan maar op die tafel daar.’ Hij wees naar een tafeltje bij de glazen wand. ‘En pakt ne stoel want ik ben hier nog efkes bezig. Er staat drinken onder tafel.’ Onder tafel vond ik inderdaad een pak halve-literflesjes River Cola. Ik nam er een flesje uit, duwde er de rommel op tafel mee opzij zodat ik het neer kon zetten, verplaatste een hoop vuile doeken van de ene stoel naar een andere en ging zitten.

Elke namiddag sinds die dag zat ik aan tafel bij de verfmenger, en dronk ik een cola terwijl hij me liet wachten. Hij wist dat ik een ziel op de dool was en bood me een rustplaats. Ik twijfel er niet aan dat hij dat uit mededogen deed. In heel dat lange jaar in de fabriek heb ik me nergens zo dicht bij mezelf gevoeld als daar, in die puinhoop van de verfmenger, terwijl hij in zijn ketel roerde. Een hele tijd later durfde ik hem vragen wat zijn naam was.

Raphaël,’ antwoordde hij, voor één keer ernstig, ‘maar zeg maar Rafa.’

Ik knikte.

Weldra zou deze Rafa zich ontpoppen. Tot mijn Rafiki.

 

 

*

 

 

‘Allez, we zullen uw kwakske eens inspecteren,’ zei hij die eerste middag, na pakweg een kwartier. Hij kwam op me af en griste mijn staal van tafel. Ik had verwacht dat hij een soort apparatuur zou gebruiken, maar hij doopte gewoon vunzig langzaam zijn middelvinger in de zilveren brij. Ondertussen keek hij me recht in de ogen, stak zijn tong zo ver hij kon uit zijn mond, grimaste en kreunde op wansmakelijke wijze, alsof hij klaarkwam, ‘oh Charlotteke, zo lekker warm.’

Ik voelde me betrapt en krimpte in elkaar. Charlotte was de receptioniste. Hoe kon hij weten wat ik voelde voor haar? Als in een film drongen zich herinneringen aan me op, van mijn eerste dagen in de fabriek, toen ik nog in de cafetaria in het hoofdgebouw ging eten. Opnieuw zag ik voor me hoe ik ’s middags de andere arbeiders een sluis involgde die de fabriekshal met het hoofdgebouw verbond. Niemand zei een woord. In die sluis hielden we halt bij een onopvallende witte bak waarin blauwe plastieken hoesjes zaten. Die moesten we, ik vermoed om de traphal proper te houden, over onze schoenen trekken. Niemand gaf een krimp maar ik voelde mij, terwijl ik de trap opliep, een complete freakshow. Bovenaan die trap, achter een balie, zat Charlotte. Ze was onberispelijk gekleed en schonk me, telkens ik haar passeerde, de meest stralende glimlach. Haar lippen, glanzend van de lipgloss, hield ze daarbij lichtjes uit elkaar. Ze had kuiltjes in de wangen, zomersproetjes en een twinkel in de ogen. En ook al moet ze ongeveer mijn leeftijd geweest zijn, ze had net zo goed van een andere planeet kunnen komen. Ik voelde meer verwantschap met een bonobo. Ik meed steeds zorgvuldig haar blik maar na een paar dagen sprak ze mij rechtstreeks aan, zo onbevangen dat het pijn deed: ‘Hallo. Gij zijt Bert zeker? Ik ben Charlotte. Voelt ge u al wat thuis?’ Ik voelde het bloed naar mijn kop stijgen, klikte mijn blik vast aan de blauwe hoesjes rond mijn lelijke schoenen, stamelde ‘ja’ en maakte dat ik wegkwam. Een intens verdriet overmande me. Sinds die ontmoeting durfde ik niet meer naar de cafetaria en at ik mijn boterhammen alleen op, buiten.

De verfmenger merkte dat ik van slag was en lachte een vettige lach. Hij haalde zijn vinger uit de brij, trok enkele draden met zijn duim, hield dan beide vingers vlak onder zijn neus en snoof eraan. ‘Bloemekes en honing’, zuchtte hij smachtend, waarna hij zijn tong zo snel hij kon in en uit zijn mond bewoog, ‘Riekt eens, Beire!’ Hij bracht zijn vingers mijn richting uit. Ik durfde hem niet van me afweren. Gelukkig hield hij snel op.

Over Charlotteke gesproken’, zei hij vervolgens, terwijl hij zijn vingers afveegde aan één van de vieze doeken die ik verlegd had, ‘als uw ontploffingske bedoeld was om indruk op haar te maken, mission accomplished, Beire. Knap gedaan.’

Ik keek hem vragend aan.

‘Ja, ik passeerde haar juist en ze vroeg achter u.’

Echt?’

Ja, serieus.’ Hij klonk wat verontwaardigd dat ik hem niet op zijn woord geloofde. ‘Ze vroeg of alles okee was met u.’ Hij liet een stilte vallen, keek me doodernstig aan en ging dan door. ‘Haar onderlip begon wat te trillen, haar ogen werden nat en toen zag ik ineens haar tepels helemaal…’

‘Fuck off gast,’ onderbrak ik hem, oprecht kwaad, ‘stopt ermee!’

De verfmenger bulderde van het lachen, zijn kop werd vuurrood, en hij riep triomfantelijk: ‘Er zit dan toch iets van leven in de vatenvuller.’ Daarna legde hij warm zijn hand op mijn schouder, keek hij me aan met ogen die straalden en zei ‘Allez, ga uw vaatjes maar vol doen. Tot morgen he!’

‘Tot morgen,’ antwoordde ik, waarna ik tussen de vaten verdween.    

 

 


5       MIJN KAUW

Er is chaos, en willekeur, en de mens die als een waanzinnige verhalen schrijft. Hij ziet verbanden, die enkel in zijn hoofd bestaan. Hij zegt alles hangt samen met alles, wat net zoveel betekent als niets hangt samen met niets. In mijn hoofd was het zonneklaar dat er van Charlotte een rechte lijn liep naar mijn kauw. Die laatste kwam in mijn bestaan omwille van mijn onvermogen de eerste onder ogen te komen.

Sinds mijn ontmoeting met Charlotte ging ik elke middag naar buiten om te eten. Ik gebruikte daartoe de grote poort aan de achterzijde van de fabriekshal. Deze poort, langswaar de heftruckchauffeur de zilveren brij in vrachtwagens met vreemde opschriften laadde, stond altijd open en gaf uit op een grasveld, ter grootte van een voetbalplein. Daarachter lag een bos. Het was in dat bos dat ik tijdens mijn middagpauze beschutting vond. Een hele tijd later –het moet de lente van het daaropvolgende jaar geweest zijn- ontdekte ik daar, in een holte bovenaan een dikke boom, een kauwennest. Onmiddellijk vatte ik het plan op een kauwenjong te roven. Ik stond geen seconde stil bij het welzijn van dit dier. Ik wilde een tamme kauw en dat was dat. Misschien was ik zo ontheemd dat ik niet meer wist dat elk wezen, kauw of mens, ergens thuishoort. Misschien was het andersom, wist ik verdomd goed hoe ik er aan toe was, en roofde ik mezelf een lotgenoot. Weten we eigenlijk ooit wat ons werkelijk drijft?

Feit is dat ik diezelfde avond nog terugreed naar de fabriek en daar als een dief in de nacht –wat ik welbeschouwd ook was- via het dak van mijn auto over het hek klom. Ik sleurde een ladder -die ik vlak voor ik naar huis ging tussen de struiken verborgen had- het grasveld over en zette die, eenmaal in het bos, tegen de boom waarin zich het nest bevond. Toen klom ik naar boven, stak mijn hand in de holte en graaide als een indringer in het rond. Eerst voelde ik takjes, het nest veronderstelde ik, en in dat nest inderdaad iets warm, levend. Ik snaaide het mee en vluchtte het bos uit. Hoe ik terug over het hek geraakt ben, kan ik mij niet meer herinneren.

Pas toen ik in mijn auto zat, durfde ik mijn hand te openen. Ik keek. Het wezen dat daar lag te trillen, tartte werkelijk elke verbeelding. Een scharminkel, ledemaat zonder lichaam. Alsof een sjamaan achteloos wat botten en blauw vel op een hoop had gegooid en het in een tegennatuurlijk ritueel tot leven had gebracht. In het midden bevond zich een groteske, gapende bek van waaruit een net zo dwingend als wanhopig gekrijs klonk. Een kind kon zien dat het daarin was dat het eten moest.

Thuis zette ik het wezen in een kartonnen doos. Elke ochtend en avond maakte ik het een papje van water, meel en maden die ik bij de viswinkel ging halen. Eerst sopte ik mijn wijsvinger in dat papje en daarna stak ik hem in de gapende bek. Het wezen zwolg mijn vinger dan kokhalzend naar binnen. Ik voelde hierbij duidelijk de onderkant van de maag. In het begin vervulde dit ritueel mij met walging maar al snel werd ik het gewoon, en raakte ik er zelfs op gesteld.

Zo werd het wezen langzaam maar zeker groter. Eerst werd het zo mogelijk nog incoherenter, maar daarna begonnen de onderdelen samenhang te vertonen en nam het zowaar de vorm aan van een jonge kauw. Tegelijkertijd begon er iets van intelligentie of begrip door te schemeren in de zwarte kraaloogjes. Op zekere dag, tijdens het voeden, hield mijn kauw zijn kopje wat scheef en keek hij mij vol in het gezicht. Plots gingen de donsveertjes bovenop zijn kop recht overeind staan en kraste hij me toe, een scherp ‘kà’. Hij herkende mij. Ik weet niet waarom, maar dit stoorde mij enorm en ik voelde, als een tsunami, de aanvechting in me opkomen mijn kauw te pijnigen. Slechts ternauwernood kon ik deze aanvechting onderdrukken. Dagenlang bezwaarde dit mij.

 

 

*

 

 

 

Het was ook rond die tijd dat mijn kauw zijn kartonnen doos ontgroeide en een nieuwe thuis nodig had. Aan de achterkant van de fabriekshal had ik een ijzeren kooi opgemerkt die daartoe dienst kon doen. Die kooi stond al maanden te verroesten tussen stapels kapotte palletten. Ze bestond uit dunne tralies, van boven naar beneden en van links naar rechts, die op ideale afstand van elkaar stonden, en was ongeveer anderhalve meter lang en een meter breed. Enkel bovenaan was de kooi helemaal open, maar dat was geen bezwaar aangezien mijn kauw al wel wat fladderde maar nog niet kon vliegen. Tijdens een middagpauze wrikte ik de kooi los uit de stapel palletten en begon ik ze te verslepen. Ze was zwaarder dan ik gedacht had en trok twee diepe voren over de gehele lengte van het grasveld. Ik hoopte maar dat niemand hier aanstoot aan zou nemen. Uiteindelijk, met alle macht die ik in me had, kreeg ik de kooi waar ik ze hebben wilde, aan de rand van het bos waar mijn kauw vandaan kwam.

Mijn kauw echter wou niet van zijn kooi weten. Vrijwel onmiddellijk nadat ik hem er met doos en al inzette, begon hij als een bezetene rond te fladderen. De houtvezel, die als bodembedekker dienst moest doen, stoof alle kanten uit. Uiteindelijk lukte het hem warempel de meter naar de bovenkant van de kooi te overbruggen en ging hij zitten op de bovenste tralie. Hij hield zijn kopje wat scheef, keek eerst naar beneden de kooi in en vervolgens recht naar mij, en kraste triomfantelijk ‘kà’. Opnieuw gingen de donsjes op zijn kop recht overeind staan. Die bovenste tralie werd zijn plekje. Ik haatte het hoe hij daar, dag in dag uit, zat. Alleen. Dof. Teneergeslagen. Vlakbij het bos waar de kauwen huisden, en tegelijkertijd werelden ervan verwijderd. Ik had mij een kauw gedroomd en zat met een schim opgescheept. Met een wezen dat wel de mogelijkheid in zich droeg kauw te zijn, maar het niet was. Hij herkende de geur niet van de kauwennesten die als het geregend had indringend het bos uitgewasemd kwam. Hij reageerde niet op het balorige gekras waarmee de echte kauwen hoog in de lucht met halsbrekende stunts hun vrijheid vierden. Mijn kauw zat op zijn tralie, had alleen maar oog voor de grote poort en wachtte geduldig. Op mij.

Van zodra hij mij ’s middags uit de grote poort tevoorschijn zag komen, veranderde er iets in zijn voorkomen. Hij richtte zich wat op, als flakkerde er wat hoop in hem. Terwijl ik hem dan tegemoet stapte, het grasveld over, en zo hoog en schril ik kon zijn roep nabootste -‘kà’- kwam hij mij tegemoet gevlogen. Elke dag waagde hij de oversteek van wat verder weg. En elke dag zweefde hij wat mooier en plantte hij wat trefzekerder zijn klauwtjes in het vlees van mijn schouder. Het was daar, op mijn schouder, dat hij thuiskwam. Onmiddellijk na de landing trok hij met zijn uitwerpselen lange, witte strepen op mijn rug, als markeerde hij zijn territorium. Ik begon zowaar te twijfelen aan de wetenschap dat vogels hun sluitspier niet controleren kunnen.

Hij zat op mijn schouder terwijl ik naar de rand van het grasveld wandelde. En hij zat op mijn schouder terwijl ik me daar op een stapel palletten neerzette. En terwijl ik mijn brooddoos opende, keek hij van op mijn schouder nieuwsgierig toe. Kipcurry was zijn favoriet. Als hij dat tevoorschijn zag komen, eiste hij nog dwingender dan anders zijn deel. Treuzelde ik wat te lang, dan pakte hij mijn oorlel beet, in zijn bek en begon hij eraan te snokken. Eerst zachtjes –bijna teder- maar allengs krachtiger. Dit irriteerde mij mateloos. Soms spande ik mijn middelvinger op achter mijn duim en liet ik hem vervolgens met volle kracht schieten tegen de zijkant van zijn kop. Nadien stemde dit mij droevig. Ik wilde hem geen pijn doen. Maar ik kon het ook niet tegenhouden.

Na het eten wandelden we terug naar zijn kooi en zette ik hem daar, op zijn tralie, neer. Maar dat werd alsmaar moeilijker. Hij wou op mijn schouder blijven. In het begin lukte het mij nog hem af te leiden door stukjes kip curry op zijn tralie neer te leggen, maar tegen het einde van mijn tijd in de fabriek werkte ook dat niet meer.

 

 

*

 

 

 

Het moet mijn laatste week geweest zijn. Ik had mijn kauw net achtergelaten op zijn tralie met wat brokjes kipcurry en was het grasveld al bijna helemaal overgestoken toen ik plots, slechts enkele meters voor ik de grote poort van de fabriekshal binnenging, zijn klauwtjes op mijn schouder voelde. Woedend sloeg ik mijn kauw van me af. Ik stapte pisnijdig naar de stapel palletten aan de zijkant van het grasveld, trok er een groot pallet tussenuit en sleurde dit richting de kooi. De hele weg over het grasveld bleef mijn kauw proberen zijn plaats op mijn schouder te heroveren. Pas aan zijn kooi stond ik hem toe te landen, maar enkel zodat ik hem grijpen kon. Ik smeet hem ruw zijn kooi in en plofte zo snel ik kon het pallet er bovenop.

Het duurde enkele tellen vooraleer ik mijn ademhaling terug onder controle had. Toen stapte ik met een verbeten trek rond mijn mond en een wee gevoel in mijn buik naar het kot van de verfmenger om mijn staal te laten controleren.    

 

 


6       HET AMULET

Herinneringen waar de tijd geen vat op heeft, ook dat zijn sleutels. Het is twintig jaar geleden, maar ik zie het voor me, als gebeurde het gisteren. Ik bevind mij in het kot van de verfmenger. Maar hij is er niet. ‘Vreemd,’ denk ik. Ik zet mijn staal op tafel en stap tot bij de glazen wand. Ik tuur de donkere fabriekshal in maar ook daar is hij nergens te bespeuren. Dan zie ik plots vanuit de duisternis, als in een nachtmerrie, mijn kauw opdoemen. Hij zweeft, oneindig langzaam, recht op mij af. ‘Hij ziet me hier staan, in het felle licht,’ realiseer ik mij. Ik begrijp onmiddellijk wat er gaat gebeuren. ‘Hoe is dit mogelijk?’ flitst het nog door mijn hoofd. ‘Het pallet? Heeft hij zich door de latten geworsteld?’ Dan is mijn kauw plots vlakbij en strekt hij zijn klauwtjes om te landen op mijn schouder. Onbewogen kijk ik toe hoe hij zich te pletter stort tegen het glas. Het volgende moment ligt hij roerloos op de grond. Zijn kraalogen staren me uitdrukkingloos aan.

Wat er dan over mij komt, vervult me zelfs vandaag nog met afschuw. Ik gil niet. Ik krimp niet in elkaar. Doorheen het glas monster ik het lijkje en denk ik ‘de cirkel is rond. Hij ziet er nu uit zoals toen ik hem voor het eerst zag. Een tegennatuurlijk scharminkel. Een hoop botten en een bek.’ Dan begin ik hysterisch te lachen. En hysterisch lachend verdwijn ik. Ik ga de fabriekshal niet in. Ik neem mijn kauw niet teder in mijn handen. Noch draag ik hem wenend naar een laatste rustplaats. Ik laat het lijkje liggen. En verdwijn.

In mijn appartement kijk ik voor de tweede keer naar The Lion King. De knokige hand van Rafiki plukt iets uit de lucht dat de wind, over de savanne, tot aan zijn baobab geblazen heeft. Hij snuift er onderzoekend aan. Dan lichten zijn ogen op. ‘Simba! He’s alive!’ roept hij extatisch uit. Dansend begeeft hij zich naar de beeltenis op zijn baobab, van een half weggevaagde Simba. Hij doopt zijn vingers in het vlees van een vrucht en geeft het leeuwtje, als was het een kroon, prachtige rode manen. Pas dan rollen de tranen over mijn wangen. ‘It is time,’ prevelt Rafiki nog voor zich uit en het voelt alsof hij die woorden aan mij persoonlijk richt. Een ijskoude rilling loopt langs de gehele lengte van mijn rug.

De volgende dag is het lijkje van mijn kauw verdwenen. Ik haal zoals elke voormiddag mijn pot lijm en mijn stapel etiketten en verdwijn daarmee in het bos van vaten. Gehurkt zit ik een tijdje rustig te lijmen tot plots, vanachter een vat, de verfmenger opdoemt. Even schrik ik. ‘Wat doet hij hier?’ Vrijwel onmiddellijk daarna begrijp ik dat dit mijn laatste dag in de fabriek is.

Vanuit een ooghoek, terwijl hij nadert, monster ik zijn aangezicht. Vooral veel blauw, en wat rood rond de neus. ‘Paars?’ grinnik ik hem toe bij wijze van begroeting. Dat was ons ritueel. Ik keek naar de spetters in zijn aangezicht en probeerde te raden welke kleur er in zijn ketel zat. Maar vandaag reageert hij niet. Hij hurkt naast me neer en neemt mij zwijgend de kwast uit handen. Hij begint te lijmen, maakt geen aanstalten om te spreken en kijkt me niet aan. De stilte voelt als een derde persoon. Ik kan er niet meer tegen en open mijn mond om iets te zeggen. Hierop heeft hij gewacht: ‘Beire, waar zijt gij eigenlijk mee bezig?’

Etiketten plakken’, reageer ik.

Dat bedoelt hij natuurlijk niet. ‘Wat zijt gij hier eigenlijk aan het doen?’ herhaalt de verfmenger. Alvorens ik zijn vraag opnieuw kan ontwijken, draait hij zich om en kijkt hij me recht in de ogen. Voor het eerst zie ik hoe helder –bijna geel, te midden de rode en blauwe spetters- de irissen van zijn ogen zijn. Hij priemt de kwast in mijn gezicht -ik ruik de lijm- en zegt dan, bijna dreigend: ‘Wat moet er, behalve ontploffende ketels, en vogels die zich te pletter vliegen, nog meer gebeuren vooraleer gij doorkrijgt dat ge hier niet thuishoort?’

Dan laat hij de kwast op de grond vallen. Daarmee is ook alle dreiging weg. Hij legt zacht zijn ene hand op mijn schouder en met de andere drukt hij me iets in de hand. Ik kan niet zien wat het is omdat hij onze handen verstrengeld houdt. Hij schudt langzaam zijn hoofd, en als een mist legt zich over zijn ogen een grote treurnis neer, terwijl hij zijn laatste woorden tot mij spreekt. Die klinken als een mantra en de dagen nadien hoor ik ze opnieuw en opnieuw. ‘Ik weet niet waar,’ zegt hij traag, ‘maar niet hier.’ En met die woorden verdwijnt hij opnieuw achter de vaten. En uit mijn leven. En ik kan het niet anders zeggen maar het lijkt alsof ik niet in het gezicht van de verfmenger gekeken heb, maar in mijn eigen gezicht. Misschien is de verfmenger helemaal niet in de buurt geweest. Misschien ben ikzelf het wel geweest die, in een finaal moment van helderheid, die woorden voor me uit gepreveld heb: ‘Ik weet niet waar, maar niet hier.’ Net als ik begin te denken dat ik me alles ingebeeld heb, voel ik dat er nog steeds iets in mijn hand ligt. Ik doe mijn hand open en kijk. Daar ligt het amulet. Het duurt een hele tijd voor ik begrijp dat de veren die ik zie, de veren van mijn kauw zijn. En dat de verfmenger ze gekleurd heeft.
In zeewaardige kleuren.

 

7       THUIS

Papa? Wat is dat?’

De film is al even afgelopen en we liggen met z’n allen nog wat na te babbelen.

‘Wat bedoel je?’

‘Dat in jouw hand.’

Ik merk nu pas dat ik het amulet nog steeds vasthoud. ‘Mijn amulet,’ zeg ik stilletjes. ‘Mooi he? Kijk, je kan zo over de veertjes aaien. Maar niet zó doen he, want dan gaan ze kapot.’ Max gaat voorzichtig, met één vingertje, over de veertjes.

Toby durft niet. ‘Papa? Wat is dat,’ vraagt hij opnieuw.

‘Ben je de naam vergeten, schat?’

Hij knikt.

‘Een amulet,’ herhaal ik, ‘En moet ik eens vertellen waar dat voor dient?’

Dat is natuurlijk exact wat hij wil.

‘Dit amulet,’ zeg ik geheimzinnig, ’wijst altijd de juiste weg naar huis. Als je verloren bent, en je weet niet meer waar je woont, moet je niet bang of verdrietig zijn. Want met dit amulet vind je altijd de juiste weg terug.’

‘Echt?’ vraagt Toby en nu raakt hij het met één vingertje aan.

‘Niet waar,’ bromt Max. Maar niettemin neemt hij het amulet steeds nadrukkelijker in zijn hand. Dan kijkt hij me poeslief aan. ‘Papa?’

‘Nee,’ anticipeer ik op de vraag die gaat komen, heftiger dan mijn bedoeling was, ‘jullie krijgen het niet.’

De kinderen beginnen te zeuren.

‘Jongens, dat amulet is mijn belangrijkste herinnering ooit,’ probeer ik hen uit te leggen, ‘en daarbij, het verliest zijn kracht als ik het doorgeef.’

‘Papa, in dit huis liegen we niet,’ kom jij kordaat tussen, en dan: ‘Komaan, gij hebt dat toch niet meer nodig? Gij kent uw weg naar huis toch al jaren.’

Ik probeer je met een vuile blik het zwijgen op te leggen.

‘Ja, papa,’ treedt Max je bij, ‘en je hebt al een gps ook trouwens!’

‘Daarbij,’ zeg je langs je neus weg, ‘ge zou beter een amulet hebben dat de juiste weg naar uw kinderen wijst, zodat die niet heel de tijd van de trap donderen.’

‘Max! Klikspaan!’ roep ik verontwaardigd uit.

Max lacht een boosaardig lachje en maakt van de gelegenheid gebruik om mijn amulet van me af te pakken. Even later rollen we met z’n allen over elkaar heen.

De kinderen gillen ‘vleeshoop’

Ik herover mijn amulet.

Ten aanval,’ gillen de kinderen.

Ik worstel mij recht en steek mijn amulet hoog boven me uit. ‘Jullie mogen allemaal op jullie kop gaan staan,’ roep ik pathetisch, terwijl de kinderen tegen me op springen, ‘jullie krijgen het niet. Van mij!’

Mama!’ roepen de kinderen in koor. ‘Papa doet gemeen.’

Jongens, papa heeft gelijk,’ zeg jij gelaten, ‘het is zijn amulet en als hij het wil houden, dan mag hij dat.’

‘Dank u,’ zeg ik.

Ook sommige volwassenen vinden delen nog moeilijk,’ zeg je fijntjes.

Gelukkig zijn de kinderen te moe om nog verder te strijden. Ze nestelen zich terug tussen hun knuffels, pruttelen nog wat na en vallen een paar tellen later in slaap.  

 

 

*

 

Je hebt gelijk,’ zeg ik wat later.

Ik weet het,’ zeg jij.

Meer woorden hebben we niet nodig. We wurmen ons stilletjes uit de omhelzing van onze slapende kinderen en beginnen hier en daar kasten en schuiven open te trekken. In een bak speelgoed vinden we eindelijk wat we zoeken: een oude sleutelbos. We zetten ons naast elkaar aan de keukentafel. Jij begint de sleutelbos te demonteren. Geduldig wrik je sleutel na sleutel los, tot je alleen de ijzeren ring overhoudt. Ondertussen haal ik drie veren uit mijn amulet, door de ijzerdraadjes los te prutsen van de centrale ring. Ik reik je die drie veren aan, en jij hecht ze terug vast, ditmaal aan de nieuwe ring. En zo ligt daar dan plots een tweede amulet op tafel. Je schuift het over tafel mijn kant uit en kijkt me aan. Nog steeds zonder woorden staan we recht en stappen we de living in, waar onze kinderen diep liggen te slapen.

Ik kniel bij Max neer.

Hier Max,’ zeg ik en ik leg een amulet naast zijn hoofd, ‘voor als het tijd is om thuis te komen.’ Even nog wrijf ik hem over de borst. ‘Maar wel eerst goed verloren lopen he.’

Dan kniel ik bij Toby neer en doe ik hetzelfde.

Daarna kegelen we hier en daar een popcornknots opzij en nestelen we ons tussen onze kinderen in. Je legt je hoofd op mijn schouder en ik streel rustig je zwarte haren.

Zo liggen we wat voor ons uit te staren, beiden in gedachten verzonken. ‘Bert?’ vraag je uiteindelijk.

‘Ja?’

‘Heb ik vandaag eigenlijk al gezegd dat ik u graag zie?’

‘Nee,’ zeg ik. Net te laat besef ik dat ik in je val getrapt ben.

‘Dan zal ik daar wel een reden voor hebben,’ zeg je kurkdroog.

We schateren het uit van het lachen.

‘Shhht,’ zeggen we tegelijk, ‘nu zijn we er eens vijf minuten vanaf.’

Opnieuw nestelen we ons in elkaars armen. En opnieuw is het stil. Ik luister naar je adem.

Schat?’

‘Ja?’ zeg jij, op je hoede.

‘Ik zie u ook graag.’

Een beetje later vallen we, met onze kinderen aan onze zij,

in slaap.

Overal rond ons, strekt de toekomst zich uit, onpeilbaar als een zee, maar hier zijn we

thuis.

 

Geschreven door Bert Aerts op 08/10/2019 - laatst aangepast op 08/10/2019

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home