Makkelijk zat om na een overlijden niks dan goeds neer te pennen over de betreurde. Makkelijk zat ook om clichés te vervallen. De daden op te lijsten en de mens te negeren. De echecs in de verf te zetten en de realisaties plots niet zo indrukwekkend meer te vinden. Jean-Luc Dehaene verdient beter, mijn gedacht.

Ik mocht Dehaene wel en neen, kom me nu niet zeggen dat ik dan op een goedkope manier dweep met de tsjeven. Want dat doe ik niet. Dehaene was een begrip en een meer dan respectabel politicus. Aan onze eettafel werd medio jaren negentig consequent gepraat over ‘den Oane’. De haan. Dat was niet om lacherig te doen of om de mens te karikaturiseren. Hij was gewoon: Dehaene. Een blok van een vent, een man van brede kennis, scoutsleider met een uitgesproken mening. Dat enigszins cassante, dat onverzettelijke, dat briesende bij momenten. Dehaene was de man met het plan. Met uitzondering van een paar voetnoten was hij niet snel geneigd om dat plan bij te schaven. Hij deed wat er volgens hem gedaan moest worden, ook al hield de goegemeente er een andere mening op na. Dehaene, de premier, de ‘eerste’ die het land leidde. Het begrip incontournable leek bijna voor hem uitgevonden.

Gek hoeveel in mijn eigen geheugen intussen vervaagd is, sinds Dehaene van het federale schouwtoneel verdween. Waarschijnlijk omdat ik medio jaren negentig beschamend weinig politieke berichtgeving volgde en nog minder beleidslijnen analyseerde. Ik was ‘jong’ maar herinner me bij Dehaene vooral kernwoorden: saneringen. Begrotingstekort. Drieprocentnorm. Eurozone. Sint-Michielsakkoord. Hij mocht een niet onaardig aantal realisaties op zijn conto schrijven. Hij was de loodgieter die buizen fitte als geen ander. “Den bulldozer” noemde ons vader hem zelfs glimlachend. Dehaene groef, verzette bergen maar streefde zelden naar elegantie. Hij was zijn brute en ontwapenende zelf, in alle omstandigheden.

Dat laatste werd hem niet altijd in dank afgenomen. Begrijpelijk en terecht, in zekere zin. Volgens critici bespaarde hij het land deels kapot en blies hij tegenstand ongegeneerd van de baan. Geen stijl, verklaarde de tegenpartij, in welke politieke hoek die ook zat. Geen gezever, counterde Dehaene. En vooral: geen commentaar. Ook wanneer zijn beroemde/beruchte economische ingrepen bij tijd en wijle onder vuur genomen werden. Als Dehaene er geen zin in had, beantwoordde hij er geen vragen over en zou de kritiek hem worst wezen. Als de Wetstraatverslaggevers hem te zeer voor de voeten liepen, trapte hij ze bijna letterlijk plat. Let the beast go. En hij vertrok naar de volgende match van blauw-zwart.

Net dat is in zekere zin poëzie, zij het: brute poëzie. Dat Dehaene ondanks zijn politieke gedrevenheid en niet onaanzienlijke positie weinig inzat met zijn imago. Hij deed wat hij graag deed, op zijn manier, en draaide de knop om wanneer hij het nodig achtte. De cameraploegen waren dan ook welkom wanneer het gezin Dehaene voetbal keek en daarenboven ongegeneerd door het lint ging: meer vlees en bloed kan er in een toppoliticus niet zitten. De band liep ook terwijl Dehaene op een zonnige dag, in aanloop naar vermoedelijk alweer een verkiezingsuitslag, eens in zijn moestuin wroette. Hijgend, met een veel te hard spannend hemd, met het zweet druipend overal. Het kon hem geen moer schelen. Hij was op dat moment een doodgewone mens. Hij beheerste de perfecte tweedeling om de politieke gekheid een leven lang vol te houden. Alleen dat soort mensen verschijnt met een short en sandalen in een nieuwsstudio.

Wat jammer is: de smet op zijn blazoen. Zoals het veel mannen van de macht overkomt, en cours de route. Dehaene heeft in de herfst van zijn carrière – naar mijn gevoel – breed gegraaid, in allerhande bestuursfuncties. Dat pikt een deel van de bevolking niet, als diezelfde persoon eerder verkondigde ‘dat kindergeld verhoogd zal worden, maar de dertiende en veertiende maand niet meer uitgekeerd’. Daarna vlot poen scheppen tast je eigen (geloof)waardigheid aan. Het laat een wrange nasmaak bij de kiezers. Zelfs als je omwille van je gedegen kennis als oud-premier nog de eer krijgt om een bank te proberen redden. Daar kon de ervaren loodgieter zijn expertise niet meer ten volle valideren. Maar anderzijds: wie had het wel gekund?

Dehaene is niet meer, onverwacht gestorven, en ook weer niet. We hadden het einde niet zo direct verwacht. Het beetje ‘extra time’ – om het in voetbaltermen te zeggen – was hem ondanks zijn ziekte best gegund. Als een populaire politieke voorman na Dehaenes heengaan dan toch durft stellen ‘dat hij hoopt dat CD&V uit diens overlijden geen munt zal slaan’, keert mijn maag spontaan en keihard om. As if, BDW. Een overlijden is geen marketingstunt. Het is geen pandapakje aantrekken en jolig doen. Het is het leven en hoe het eindigt.

Voor Dehaene gebeurde dat Quimper, in Bretagne, niet zo gek ver van de Atlantische Oceaan. Een klein paradijs voor stille genieters. Daar hoor je het ruisen van de verre zee bijna tussen de vakwerkhuizen. Daar is een plat fruits de mer degusteren het hoogste goed. Daar smaakt de wijn altijd beter. Daar tikt de tijd trager. Daar heeft het leven kleine geheimen. Daar kun je ze ook rustig achterlaten, en het tijdelijke voor het eeuwige ruilen.

(Jean-Luc Dehaene, 7 augustus 1940 – 15 mei 2014)

Geschreven door Bene Van Eeghem op 21/05/2014 - laatst aangepast op 21/05/2014

  • column
  • non-fictie

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home