Het vliegtuig maakte een tussenlanding. Hij zat achter een glas pure rum met ijs op een Caribisch eiland te wachten. Een jonge vrouw in witte schort, achtervolgd door een zanikende hummel, liep in het restaurant van tafel naar tafel en vroeg de reizigers of ze hun bloeddruk mocht nemen. Eén dollar. De associatie sloeg in als een snapshot. Als jonge kerel verliet hij Vlaanderen en voer haveloos met een vrachtschip naar de Verenigde Staten van Amerika. Begonnen als letterzetter in een drukkerij leerde hij zijn echtgenote tijdens een campagne voor bloedinzameling kennen.

'Je handen zijn warm', had hij gezegd.

'Je hebt goede aderen. Ik kan de naald er van verre ingooien', antwoordde ze verrast.

'Mag ik volgende week nog eens komen?'

'Je levenssappen moeten eerst terug aangroeien', had ze hem geamuseerd gewaarschuwd. De week nadien troffen ze elkaar in een bar op een vloer die zweette.

'Op de vampier en haar slachtoffer', hief hij schertsend het glas. Kon hij niet dansen zij des te beter. Tijdens de openingsdans op het huwelijksfeest zette hij zich voor de hele zaal te kakken. Naderhand ruilde hij de letters voor de grafische kunsten. Hij was specialist in lithografie toen hij op pensioen ging.

'Passagiers voor Brussel aanmelden aan poort B!'  hoorde hij de luidspreker pal boven zijn hoofd.

Hij tuurde door het kleine venster. De boeing vloog een overdekte zaal binnen, wolken tegen het plafond, wolken tegen de vloer en tussenin een holle doorlopende tunnel.

De leegte waarin hij terechtkwam na het auto-ongeval was afgrondelijk. Maar hij kon niet zeggen of het met ruimte te maken had dan wel met tijd. In feite was hij drie dagen en drie nachten in coma blijven zweven. Het duurde daarna nog tergend lang eer hij wist dat hij in het ziekenhuis lag en eer hij in staat was naar zijn vrouw, zijn zoon, schoondochter en hun kind te vragen. Een hele stamboom uitgeroeid, kreunde hij nog jaren nadien. De familiekelder waar ze samen gelegd werden noemde hij zijn massagraf. Zijn zoon en kleinzoon wedijverden met elkaar om hem door hun afwezigheid pijn te doen. Hij stond weer alleen in de Verenigde Staten, net als toen hij zoveel jaren terug uit het vrachtschip stapte. Nu pas werd hij er zich van bewust hoe oud hij wel geworden was. Veel tijd was hem niet meer gegund. Hij zat in een op hol geslagen trein, niet te stoppen en die reed met hem recht de dood in. En als hij er nu eens probeerde af te springen? Langzaam aan begon de drang in hem omhoog te kruipen, weg van die trein, teruggaan, in de tijd achteruitkrabbelen, weer kind zijn. Dat moest kunnen als hij maar naar de omgeving waar het allemaal begonnen was weerkeerde. Door op de plaatsen waar het eens gebeurde te gaan staan, zou hij alles opnieuw kunnen beleven.        

Het was een klein huis, aan de kant van de straat de 'schone plaats' waar ze nooit inkwamen, daarnaast de eetplaats waar ze leefden, dan de keuken met de groene gietijzeren waterpomp en de kleverige sunlightzeep onder de pompsteen, de wc met het gat in de houten zitplank,  het kippenhok en twee slaapkamers boven. Achter het kriepend poortje van de binnenkoer dat uitgaf op de tuin stond de pruimenlaar. En van daaruit kon hij van de ene in de andere tuin bij de buren lopen. Het poortje van Jeanine stond altijd open. Zo gebeurde het dat hij regelmatig de penis van haar vader met de grijze stoppelsnor zag terwijl  hij stond te plassen. De witte pisbak hing in de bakstenen muur vast gevezen en door roestvlekken half opgevreten. De gele mortel, meer zavel dan cement, sijpelde vergruisd uit de voegen. In plaats van te blijven mikken deed de man zijn hand weg en piste er naast. Zo zag hij de groene ader die door het stijve lid van de vader van Jeanine kronkelde. De man keek niet naar hem, maar hief het hoofd op naar de duiven op het afdakje die vanuit Aras en Saint Quentin prijzen gevlogen hadden.  

Aan de horizon zakten de korenvelden in een glooiing en in die gleuf bewoog een onzichtbare trein. Alleen de schouw die zwarte rook uitstootte schoof zichtbaar tussen de halmen voorbij. Vader ging op een bureau in Brussel schrijven, maar ’s avonds plantte hij achter de pruimenboom aardappelen. Als ze in bloei stonden zaten ze vergeven van de coloradokevers. Hij mocht van vader de beesten plukken. Samen met de broer van Jeanine gooide hij de kevers en de paarsbruine gekromde larven in een ovomaltine-doos, de handen vettig van de oranjekleurige ingewandensappen en toen ze vol was staken ze vuur onder de metalen doos.

Jeanine was iets jonger dan hij en ze had krulletjes. Hij ging met haar naar het kippenhok. Daar scharrelden acht witte hennen op een weeïg tapijt van keutels met ingeplakte  schavelingen en donspluimen rond. Tussen de starkijkende beesten speelde hij met haar doktertje. Ze was ziek, in het begin niet zonder tegenstribbelen. Ze lichtte toch maar haar rok op. Hij keek in haar broekje en zag onderaan haar spleetje. Met de kurk van een oude  wijnfles, gedoopt in wonderwater, dat hij met een conservenblik uit de regenput vol rode slingerwormpjes geschept had, drukte hij het genezende stempel in haar zachte buik net onder de navel. Daarna mocht zij het bij hem doen. En dan hij weer bij haar, terwijl de kippen een poot halfweg ingetrokken hielden, de glazen ogen wijdopen van verstomming.  

Het vliegtuig begon te zenuwtrekken. 'Veiligheidsgordels aangespen', klonk het door de luidsprekers. Spontaan keek hij door het raampje. Misschien viel er iets abnormaal te bespeuren dat de schokken kon verklaren. Maar de krant van de passagier naast hem belemmerde het zicht naar buiten. 'Leraren staken. Scholen staan leeg', las hij de titel van het artikel. En zijn gedachten gingen terug naar de school van zijn eerste levensjaren. Het gebouw stond in zijn herinnering nog vaag overeind: mauve bakstenen vermengd  met witgeblakerde assenschilfers. Arduinen sokkels tot boven zijn hoofd om er gedurende de speeltijd bang tegen aan te leunen wanneer hij een strafbriefje naar huis moest meenemen om te laten ondertekenen. De onderwijzer van het vierde studiejaar stond hem nog het klaarst voor de geest. Een gemoedelijke man, die ’s morgens niet van huis uit vertrok. Wanneer hij op school aanlandde had hij er al een paar uren lijnvissen opzitten. Hij kwam met zijn gerief de klas binnen en beval de leerlingen hun wereldatlas boven te halen. Als taak moesten ze een provincie met een moeilijke naam opzoeken die hij zelf nauwelijks kon uitspreken zonder dat hij bladzijde of werelddeel vermelde. Ondertussen had hij breeduit de tijd om de draden van zijn lijnen te ontwarren en op te bergen. Vis zagen ze nooit. En de provincie met de moeilijke naam ook niet. Hij was niet van de stomste onder de leerlingen en één trimester was ruimschoots voldoende om het hele atlasboek te doorpluizen. En toen begon hij te twijfelen of die provincie wel bestond. Hij had er later ook nooit nog over gehoord.  

Op zijn vijftiende zei vader: 'We gaan naar de stad wonen'. Sindsdien was hij nog maar zelden naar het dorp teruggekeerd. Hij ontgroeide het. Je kon niet op je stappen terugkeren, was toen zijn gevoel. Zijn dorp had hij definitief achter zich gelaten. Het was iets voor kleine kinderen geworden, een nest waar hij uitgevlogen was en nooit terugkeerde.

Maar nu wilde hij weer jong worden, achteruitkrabbelen om de dood te vlug af te zijn.

Een onbekende neef stond hem op de luchthaven op te wachten, een naambordje voor de borst. Zijn voorstel om hem naar zijn geboorteplaats te vergezellen wees hij af. Hij kon moeilijk iemand naar vroegere tijden meenemen, iemand die meer dan een halve eeuw later dan hij geboren was.   

'Er is geen station meer in het dorp. Die spoorlijn is jaren geleden afgeschaft. Er bolt wel vanuit de treinhalte van de naburige stad een bus,' waarschuwde de neef hem.

Hij zag het stationnetje voor zich met zijn buizenkachel in de winter die tijdens het warme seizoen uitgebroken werd om meer ruimte in de wachtzaal te scheppen. Op de plaats waar hij het meende te situeren stapte hij uit de bus. Er was niets meer te zien. Toch stond hij op de juiste plek, stelde hij vast, want daar liep de oude spoorbedding, een rechtlijnig met asfalt overgoten fietspad. De straten lagen nog op de zelfde plaats, missen kon hij dus niet om het ouderlijk huis terug te vinden. Onderweg groetten de voorbijgangers hem, uit gewoonte, want geen mens kende hem. Hij alleszins geen van hen, hoe hij zich ook inspande om ergens een gelaatstrek te herkennen. Was dit nu zijn straat? Ze was kleiner geworden, nauwer. De tijd doet de dingen krimpen, dacht hij. Misschien kon hij er als kind beter in en uit. Of was het zijn blik die toen niet verder dan enkele huizen reikte waardoor de straat eindeloos leek? Zelfs de weg naar school in het centrum van het dorp was telkens een wereldreis. Het huis was niet te vinden. Er liepen haast geen mensen op straat. Enkelen hadden nog gehoord van de familie, maar waar het huis stond, geen idee. Toch wou hij het niet opgeven. Aan de overkant van de straat duwde een vrouw haar fiets naar buiten. Ja, ze wist er nog van en wees in de richting van een gevel die er niet op leek. Toch maar de kans wagen. De bel klonk luid in de gang.  

'Is het voor een bestelling?' vroeg een jongetje van zeven.  Het leek hem of  die snotaap net met Jeanine uit het kippenhok gekropen was. Aandachtig keek hij toe of hij geen donspluimen aan zijn zolen meesleepte en voelde plots warmte van binnen.  

'Ik kom van ver', antwoordde hij met zijn Engels accent.

'Mama, een vreemde meneer', riep het jongetje en liep terug naar binnen, een afgedane zaak voor hem.

'Als dit het juiste huis is, ben ik hierboven geboren', zei hij vol verwachting. De terughoudendheid van de dame maakte plaats voor nieuwsgierigheid. Ze bevestigde dat de naam haar bekend voorkwam, uit de akte.

'We hebben het afgekocht van een eigenaar die het van uw familie zal gekocht hebben.' Ze liet hem binnen. Hij voelde de neiging om zich te bukken. Het interieur was niet meer te herkennen.

'Toen we het aanschaften was het nagenoeg een krot. We hebben muren uitgeslagen en de hele woning gerenoveerd'.

'Het kippenhok', zei hij bijna fluisterend.  

'Nooit gekend. Kom maar mee', zei ze en stootte een metalen deur open, waar vroeger de keuken was. In plaats van op het binnenkoertje uit te komen stapte hij een ruime zaal vol tekentafels in.

'Het architectenbureau van mijn man', legde ze uit. Hij liep naar het einde van de zaal.

'Hier moet de pruimenlaar gestaan hebben', mat hij met de ogen en keek naar de blinkende tegels. Door een venster aan de zijkant probeerde hij de korenvelden met de glooiing terug te vinden.

'Daar beneden reed vroeger een trein, maar ze hebben de spoorlijn uitgebroken', zei ze.

'Weet ik', antwoordde hij en zijn stem klonk nu indroef, want ook de korenvelden waren verdwenen. Er stond een indrukwekkend plat gebouw.

'Een grootwarenhuis. Voeding,' verduidelijkte ze.

Opeens werd het hem te machtig. Hij moest er bij gaan zitten om niet weg te draaien. De vrouw haastte zich om een frisdrankje te halen. 'De plek waar ik geboren ben en als kind rondgelopen heb, bestaat niet meer,' wist hij nu. Zijn ouders zijn er ook niet meer. Die liggen begraven in de stad. En Jeanine en haar vader met de stijve penis en de coloradokevers en de schouw van de trein tussen de halmen. 'Het is er allemaal niet, hier toch niet,' kreunde hij met de handen stevig op de knieën steunend. 'Waar dan wel? Wat maakt dan dat dit terrein mijn bakermat zou zijn? Het staat zelfs niet meer op de zelfde plaats als toen, want de aarde is intussen al miljarden kilometers verderop geschoven in het heelal. Is er dan nog iets dat maakt dat dit het stuk aarde is waar ik begonnen ben? Er moet toch ergens een referentiepunt zijn. Alleen maar het feit dat deze grond op de aardkorst toen en nog vandaag even veel kilometers van mijn villa in de Verenigde Staten verwijderd ligt? Of zou het toch de tijd zijn die mijn geboorteplek verplaatst heeft? Maar waarheen dan? Naar tachtig jaar verderop?'

De vrouw schrok toen ze hem zag.

'Je ziet er verschrikkelijk beroerd uit. Zal ik een ziekenwagen opbellen?' riep ze.

'Niet meer nodig,' hijgde hij en zakte door zijn schouders. Hij probeerde haar aan te kijken, maar kon nauwelijks zijn hoofd oplichten.

'Ik ga sterven. Ik heb het willen uitstellen, terug van voor af aan beginnen. Maar het lukt niet,' murmelde hij en viel opzij aan de voet van de pruimenlaar.

Geschreven door Guido De Schrijver op 22/05/2014 - laatst aangepast op 22/05/2014

  • proza

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home