Sinds Birte gestorven is, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat er iets niet klopt. Erger nog, dat er iets helemaal verkeerd is. Natuurlijk is het verkeerd dat Birte er niet meer is. Het duurt altijd een paar tellen eer dat besef tot mij doordringt. Maar het is nog iets anders. De dag begint op een manier waarop hij niet zou moeten beginnen. Ik word wakker in een smal bed in een ruime kamer. Iemand trekt de gordijnen open en zegt goeiemorgen. Op het veel te kleine schrijftafeltje staat een blad met een saai ontbijt: een kop lauwe koffie, drie sneetjes witbrood, een kuipje aardbeienconfituur en een rechthoekje boter.

            Daar begint het al. De koffie zou heet en sterk moeten zijn en vooral, door mij gezet. In de keuken. Waarom heb ik geen keuken meer?

           

            Na het ontbijt komt een meisje vragen of ik hulp nodig heb bij het wassen en aankleden. Ik schud mijn hoofd. Ze trekt de deur meteen weer dicht. Ze kent het antwoord, maar ze moet het vragen. Ik ben nog altijd in staat om een broek en een hemd aan te trekken, en mijn kleren zou ik liever zelf wassen. Ik zou niet zo’n rare plooi in mijn broek strijken, ik zou de kraag van mijn hemd wat rechter zetten. En ook geen vouwen in de mouwen alstublieft.

 

            ‘Niet moeilijk doen, liefste,’ zou Birte zeggen. ‘We hebben hier alles wat we nodig hebben.’ En dat was ook zo. Zolang Birte zorg en vooral veel aandacht nodig had, was het handig om niet te moeten koken, poetsen, strijken. Lezen of naar de tv kijken ging ook niet, maar dat vond ik niet erg. Dat zou later wel weer komen. Want er zou een later komen, zonder haar en zonder de kabbelende gesprekjes tussen ons.

            Die mis ik nog het meest. Birte was graag aan het woord. Over de ergernis die ik daarbij soms voelde, heb ik nu spijt. Maar spijt en woede –woede, omdat ze weg is- daar koop ik niets mee. Dus leg ik spijt en woede opzij en probeer ik de dag door te komen. Meer lukt me voorlopig niet. Al moet er iets gebeuren. Morgen misschien, of volgende week.

            Om tien uur liggen de kranten in het salon. Er eentje van de tafel grissen en meenemen naar je kamer wordt niet op prijs gesteld. Nee, het is de bedoeling dat we samen de koppen doornemen, om aan te tonen dat we nog bij ons verstand zijn. We zijn met niet velen die dat nog kunnen. De animatrice test elke dag onze kennis van aardrijkskunde, geschiedenis en politiek. Het is een knap meisje. Ze heeft kort zwart haar, wat langer in haar nek, en ze heeft een blinkend steentje in haar neusvleugel. Ik kan het niet laten om haar na te kijken als ze door de gang loopt. Ze heeft brede schouders –zou ze zwemmen?- en een jongensachtige tred. Ik denk dat ze is zoals wij, maar ik durf het haar niet te vragen. Zou ze het weten van mij? Ze kan er toch moeilijk naast kijken? Maar ze heeft geen oog voor mij. Ze spreekt me beleefd aan met mevrouw zoals ze dat hier met iedereen doen. Mevrouw, mijnheer. Als er nieuw personeel is, want het wisselt nogal, is er al eens eentje bij die zich vergist en mij met mijnheer aanspreekt. Ik verbeter ze niet, ik ben het gewoon. Na een dag of twee zien ze hun vergissing in.

 

            Mevrouw Simons is ook weer bij het krantenuurtje. Haar man heeft ze in hun kamer gelaten. Ze luistert gespannen naar de vragen, de ogen half gesloten, de handpalmen op de tafel, en ze probeert als eerste te antwoorden. Uitsloofster. Als het krantenuurtje voorbij is, mogen we de krant van vandaag in het salon lezen. Die van gisteren mogen we mee naar de kamer nemen. Met oud nieuws onder de arm slof ik naar mijn hol. Ik moet het samenzijn in een ruimte met anderen doseren. Langer dan een uur kan ik nog niet aan.

 

            In het restaurant blijkt mevrouw Bernards mijn plaats te hebben ingenomen. Ik overweeg om haar rolstoel achteruit te trekken, een stoel bij te schuiven en te gaan zitten, maar uit goed fatsoen blijf ik staan bij de tafel waar ik tot voor kort nog met Birte zat. De zaalverantwoordelijke neemt me bij de arm en leidt me een paar tafels verder.

            ‘We dachten dat u hier beter zou zitten,’ zegt ze. Ze schuift een stoel achteruit en nodigt me uit om te gaan zitten. Bij Simons en haar man, en nog een kale man die ik wel al gezien heb, maar verder niet ken. De mannen zitten in een rolstoel en alsof ze behalve hun benen ook hun handen niet kunnen gebruiken, begint Simons water in hun glazen te gieten. Ik leg mijn hand op mijn glas en zeg bijna onhoorbaar ‘Nee, dank u’.

            ‘Drinkt u wijn?’ vraagt Simons, ’Gezellig, dan ben ik niet alleen.’

 

            Er komt een karafje met een halve liter rosé op tafel. Ik giet haar glas voor driekwart vol, dan het mijne en ik zet het karafje langs mijn kant. Zo zal ik het vanavond en morgen ook doen. De nieuwe situatie meteen goed beheren. Ik hoor het klaterende lachje van Birte.       

            ‘Zo ken ik je weer’, zou ze zeggen. Dat er zowel bij de lunch als bij het diner wijn bij het eten werd geserveerd was het doorslaggevend argument om voor dit etablissement te kiezen. Ik vond het anders wel erg duur, maar Birte vond dat we onszelf niets tekort mochten doen. Voor haar lagen de zaken anders dan voor mij, daar stonden we toen niet bij stil.

 

            Mijnheer Simons kijkt verongelijkt naar de karaf wijn.

            ‘Hij heeft suikerziekte,’ verduidelijkt mevrouw. ‘Nee, man’, zegt ze, ‘het mag niet van de dokter.’

            ‘Man’, zegt ze tegen hem. Heeft hij geen naam? Zij heet Emma, ben ik intussen te weten gekomen. Als hij tegen haar praat is het Emma voor en Emma na. Behalve suikerziekte heeft hij een rothumeur en een aanleg tot zeuren. De man naast hem kijkt in zijn bord en in zijn glas water en doet of hij er geen last van heeft. Ik volg zijn voorbeeld en doe of ik niet zie hoe Emma Simons naar mij kijkt en hoopt op een aangenaam tafelgesprek.

            Na het dessert maak ik dat ik wegkom, dankbaar dat ik niet in een rolstoel zit en moet wachten op iemand die mij naar mijn kamer brengt.

 

            Mijn siësta bestaat uit drie kwartier naar het plafond kijken en me afvragen of ik naar het salon zal gaan of in mijn kamer blijven. Het wordt in de kamer blijven. Ik heb geen zin in mandala’s kleuren. Als er op de deur geklopt wordt, ben ik er zeker van dat het Emma Simons is. Het personeel klopt niet. Ze komen gewoon binnen, of ik in mijn onderbroek sta of niet, ze zien niet eens het verschil.

 

            ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze.

            ‘Nee’, zeg ik en ik probeer de deur weer dicht te duwen. Maar ze heeft al een voet binnen en kijkt nieuwsgierig de kamer in.

            ‘Mag ik Cécile zeggen? Ik ben Emma.’

            ‘Het is Sil’, zeg ik, norser dan bedoeld.

            ‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze dan. Ik doe een stap achteruit.

 

            Ze komt binnen en blijft bij de schrijftafel staan. Ze kijkt een paar seconden naar de foto van Birte alsof ze bij een graf staat. Ze is een vrouw van de wereld, er is iets sjieks aan haar en voor het eerst voel ik wat van mijn afkeer wegzakken. Ik heb geen afkeer van haar, maar van iedereen die hier nog levend rondloopt, bedenk ik plots. Ik voel een snik opkomen, maar ik verman me. Ik wijs haar een stoel en ga zelf in de fauteuil zitten. Ik strijk over mijn knieën en probeer de vouw in mijn broek wat minder scherp te krijgen.

 

            Als ik opkijk, zie ik haar vriendelijke gezicht. Vriendelijk, ik moet het toegeven. En mooi. Haar zilvergrijze haar is recht afgeknipt op kinhoogte. Ze heeft wat lipstick op, maar verder is ze niet opgemaakt.

            Ze vraagt hoe het nu met mij is. Ik haal mijn schouders op.

            ‘Waren jullie ... was zij je vriendin? Ik bedoel ...’

            Ik voel mijn stekeligheid weer opkomen. Heeft ze dan geen ogen in haar kop? Ik toon haar mijn ring.

            ‘We waren getrouwd,’ zeg ik.

            Ze knikt en kijkt dan rond in de kamer op zoek naar een nieuwe vraag. Dan staat ze op.

            ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze weer. Ik schud mijn hoofd.

            ‘Ik kan je niet in mijn kamer uitnodigen’, zegt ze dan, ‘mijn man ...’

            ‘Ik begrijp het,’ zeg ik en ik denk: gelukkig maar.

 

            Sinds Emma in mijn kamer is geweest doe ik aan tafel iets meer moeite om hoffelijk te zijn. Tegen Emma tenminste. De mannen negeer ik. Ook tijdens het krantenuurtje doe ik mijn best. Het krantenmeisje is zichtbaar opgetogen met mijn toegenomen ijver. Ze snijdt spannende onderwerpen aan en vraagt op een dag in welke landen het homohuwelijk is toegestaan. Emma kan ze bijna allemaal opnoemen. Het krantenmeisje kijkt in mijn richting en knipoogt. Ik krijg het warm en ik zet een extra knoopje van mijn hemd open. Bloost ze? Of beeld ik me dat in?

 

            Tijdens de siësta vertel ik Birte over Chris, het krantenmeisje.

            ‘Je bent nu vrij,’ zegt Birte, ‘Maar is ze niet wat jong voor jou?’

            Natuurlijk, veel te jong, hoe dwaas van mij.

 

            Emma Simons staat weer aan de deur. Ze vraagt of ze binnen mag komen. En of ik zin heb om met haar een dagje naar zee te gaan.

            ‘Naar zee? Hoe dan? Met de trein? Met begeleiding?’

            ‘Maar neen, Silly, we gaan toch gewoon met de auto?’

            Ik kijk verbaasd daar de sleutel in haar uitgestoken handpalm.

            ‘Hij staat hier op de parking,’ zegt ze, ‘voor als we op stap willen gaan. Maar met die rolstoel is het zo’n gedoe.’

 

 

            Het lijkt lang geleden dat ik nog in een auto zat en nog langer geleden dat ik zelf aan het stuur was. Birte en ik namen de laatste jaren het openbaar vervoer. Emma merkt dat ik me aan de stoel vasthoud en dat ik mee rem.

            ‘Ik kan het nog, hoor’, zegt ze, ‘maar als je wil, mag jij straks rijden.’

 

            Op een rustige weg in de polders wisselen we van plaats. Het is even wennen, maar dan is het als fietsen. Ik leg mijn elleboog door het open raam en stuur losjes met een hand. Emma laat zich ontspannen achteruit zakken in de passagiersstoel. Ze stift haar lippen wat bij en zet een zonnebril op. Ik concentreer me op de weg.

 

            Aan de kust is het rustig. Op de dijk niets dan oude mensen.

            ‘Wij zijn ook oud,’ zegt Emma, ‘maar hier, hier kan je nog wandelen.’ Ze steekt haar arm door de mijne.

            We eten zeetong en drinken er een glas chablis bij. Daarna een ijsje op een bank. Even met de blote voeten in het zand. Voor we weer in de auto stappen, wijst Emma naar de appartementen op de dijk.

            ‘Er staat hier veel te koop,’ zegt ze.

 

***

 

            Mijnheer Simons heeft een andere tafel geëist en gekregen. Hij zegt dat ik niet normaal ben en dat ik een slechte invloed heb op zijn vrouw. Ze zitten nu bij het raam met een ander echtpaar. Ik zie Emma haar best doen om een gesprek op gang te krijgen, maar noch de man, noch de vrouw zijn gewillig. Mijnheer Simons houdt zijn mes rechtop in zijn vuist, alsof hij wil laten zien wie de baas is.

 

            Aan mijn tafel werden de Simonsen vervangen door de laatste twee alleenstaande mannen die er nog zijn. Blijkbaar denken ze dat ik een gevaar voor het vrouwvolk ben. Ik heb gevraagd of ik in mijn kamer mag eten, maar dat mag alleen als je ziek bent.

 

***

 

            Emma komt mij bezoeken met een tros druiven en een paar sinaasappels die ze van de dessertkar genomen heeft. Ze vraagt wat ik heb. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik schouderophalend, ‘ze vinden niets. De dokter zegt dat het op onze leeftijd niet ongewoon is om wat minder goede dagen te hebben. Ik moet een paar dagen rust nemen.’

 

            ‘Rust!’ Ze lijkt ontdaan. Ik heb plots in de gaten dat ze ongerust is, dat we niet meer op stap kunnen gaan.

            ‘Het gaat al beter, hoor,’ zeg ik vlug. ‘Over een paar dagen ben ik weer de oude. Of de jongere,’ grap ik.

 

            ‘Ik hoop het,’ zegt ze , ‘want het is geen leven meer met hem. Ik was beter thuis gebleven. Ik ben nog veel te fit om hier te zijn.’ Tegen wie zegt ze het.

 

            ‘Maar, als jij niet met hem meegekomen was, hadden we elkaar niet leren kennen.’ Ik schrik zelf een beetje van wat ik zeg. Meen ik dat?

 

            Ze glimlacht als een meisje en staat recht. Ik stotter dat ze best nog wat mag blijven.

 

            ‘Je moet rusten’, zegt ze plagerig.

 

***

 

            Mijnheer Simons is echt ziek. Zijn bloeddruk gaat onrustbarend de hoogte in, telkens als Emma en ik een uitstapje hebben gemaakt. Emma vindt dat hij uitstekend verzorgd wordt en dat zij daar niet altijd bij nodig is.

            ‘Eigenlijk’ zegt ze, ‘kan ik niet veel voor hem doen. Hij is misschien wel beter af zonder mij.’

            We gaan nog elke dag naar het krantenuurtje en daarna nemen we samen de immobiliën-bijlage door.

 

***

 

Sinds Emma en ik aan zee wonen, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat ik droom. Het duurt een paar tellen eer ik besef dat het echt is, dat zij naast mij ligt, haar grijze haar uitgewaaierd op het witte kussen. Dan glip ik stilletjes uit bed. Ze doet of ze slaapt. Ik zie het aan haar mondhoek die ze in de plooi probeert te houden. Ik haal croissants en broodjes bij de bakker op de dijk en daarna zet ik sterke, hete koffie.

 

De foto van Birte heb ik in de keuken gezet. Ze kijkt goedkeurend toe terwijl ik een eitje kook. Ik knipoog naar haar. We praten niet meer zoveel met elkaar, maar het is goed zo.

 

 

 

 

 

 

 

Geschreven door Christine Van den Hove op 08/10/2014 - laatst aangepast op 07/03/2015

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home