Op een bank in de tuin. Zo zie ik je kijken: alsof de anderen merkwaardige wezens zijn.

‘Ze zijn hier allemaal oud,’ zeg je en je vergeet dat je zesentachtig bent.

‘Die man,’ zeg je, en je wijst met je kin naar mijnheer Fort, ‘Die is toch niet ziek? Waarom is hij hier?’

Ik heb niet meteen een antwoord. Nee, hij is niet ziek. Hij loopt kaarsrecht en zonder stok het rolstoelpaadje op en neer.

Dan wijs je zonder gêne naar mevrouw Paule.

‘Weet je hoe oud die is? Tweeënnegentig. Ze heeft een tijdje in een rolstoel gezeten, maar nu loopt ze weer rond.’

 

‘Laten we wat wandelen,’ stel ik voor. Je hijst je op aan je looprekje. Het geëffende pad loopt langs grasveldjes en oude bomen en een lange rij lavendelstruiken onder de ramen van de kamers op het gelijkvloers.

 

Wat ik in de achterste kamer zie, vertel ik je niet. In het bed ligt een magere vrouw, met ingevallen wangen, de ogen gesloten, een verpleegster wisselt het infuus. Jij houdt je blik op de grond en je schuifelende voeten.

 

Wat ik in de voorste kamer zie, vertel ik je niet. Een koffer op een bed. Iemand is aangekomen of weggegaan.

 

Op een bank in de tuin. Wat jij ziet, zie ik anders. Of is het omgekeerd? Ik zie een vrouw die een rolstoel duwt. Moeder en dochter, ze lijken sprekend op elkaar.

‘Wat erg als je zo’n kind hebt,’ zeg je.

Soms spreek ik je tegen. Vandaag niet. De dochter van mevrouw Berjoan duwt haar moeder voort met iets dat tussen kranigheid en moed der wanhoop ligt. Ze komt hier al zeven jaar op bezoek, drie keer per week.

 

***

 

Als het killer wordt, wil je niet meer naar buiten. We blijven in je kamer praten over mijn kleine en jouw nog kleinere wereld. Er wordt aarzelend geklopt op de openstaande deur. De dochter van de rolstoelvrouw wenkt mij.

‘Kom kijken, zegt ze, ze is dood.’ Alsof ze het hardop moet zeggen om het te geloven.

‘Het is net gebeurd,’ zegt ze.

 

Daar ligt mevrouw Berjoan, nog niet gefatsoeneerd, het hoofd achterover, de mond open. Als verstild in volle overgave. 

 

Dat zeg ik je niet, waaraan ik moest denken, toen ik haar zo zag. Aan dingen waarover we nooit spreken. Omdat ze niet van onze taal en ook te lang geleden zijn.

Geschreven door Christine Van den Hove op 31/10/2014 - laatst aangepast op 07/03/2015

  • proza
  • flitsverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home