Totaal afgepeigerd

denderen we de stad binnen.

De hoge gebouwen,

opgedoemd aan de horizon,

als een eiland in de verte,

kilometers beton en staal en glas.

Wie zou me staan bekijken

vanuit ’t raam van een flat,

verdiepingen hoog?

Eenzame mensen

lopen in rondjes door de drukte.

Versnelde bewegingen,

geslenter en geslef.

Moe, bezweet, diep zuchtend,

bloedheet en ijskoud.

Het stof van alle straten,

die nergens heen leiden.

Winkels waar men niets verkoopt

dat ik ooit zou kunnen nodig hebben.

Plastic koffiebekers,

ondergaande zon.

Lichtjes knippen aan,

leiden me naar de duisternis

aan de rand van de stad,

waar je de krioelende mensenzee verlaat

en in rustig grijs water belandt.

De straatveger,

alleen met zijn lot,

keert het afval bijeen

dat wij verzamelen

op de stoeptegels

van de stad.

Geschreven door Felix Sandon op 08/04/2015 - laatst aangepast op 08/04/2015

  • poëzie

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home